De invulling van de ambten (1): de evangelist

Voordat we ons gaan bezinnen op de positie van de evangelist, moet de vraag ons helder voor ogen staan: op welke vragen zoeken we een antwoord? Die hebben te maken met veranderingen in samenleving en kerk: door de komst van asielzoekers en andere immigranten is er behoefte aan kerken die hun taal spreken en bij hun cultuur aansluiten, en door de secularisatie en de vervreemding die velen ten opzichte van de kerk ervaren, voelen we ons geroepen nieuwe vormen te zoeken die hun aanspreken. In beide contexten zijn vormen van samenkomen gewenst die vrijer zijn dan we in traditionele kerkdiensten gewend zijn. In beide situaties zijn ook voorgangers nodig die midden in het leven staan, avontuurlijk zijn ingesteld en improvisatietalent hebben. Vaak zijn dat niet traditionele predikanten, maar mensen die qua levenshouding en maatschappelijke positie dichter bij de doelgroep staan. Zij worden tot evangelisten.

De vragen waarvoor we gesteld worden is: heeft zo’n evangelist dezelfde rechten als een predikant? Mag hij (zij?) de sacramenten bedienen? Zou zo’n figuur ook niet voor een toenemend aantal krimpende gemeenten een uitkomst zijn? Dat heeft zowel betrekking op een frisse, informelere aanpak als op het feit dat zulke mensen (doorgaans) goedkoper zijn dan de predikant die we gewend zijn. Wellicht kunnen we hen ook gemakkelijker in deeltijd aanstellen. Verdringen zij de grondig opgeleide predikanten niet? Welke opleiding mogen we van hen eisen? Dus: in een andere volgorde: hun rechten, hun opleiding, hun eventuele deeltijdaanstelling en hun beloning.

Rechten
Het is een goede greep van het door mij bekritiseerde adviesvoorstel om de evangelist net als de gemeentepredikant en de hoogleraar tot dienaar van het Woord te maken. Daarmee worden meteen allerlei vragen beantwoord. De evangelist deelt in de rechten van alle dienaren van het Woord. Zij mogen de doop verrichten en voorgaan in de viering van het avondmaal, zaken die tot op heden voorbehouden zijn aan de predikant. Of dat in alles zo moet blijven, komt de volgende keer aan de orde. Maar bestempeling van evangelisten tot dienaren van het Woord schept duidelijkheid: in rechten zijn zij gelijkgesteld met predikanten. Ik laat in het midden of het onderscheid in ‘evangelist’ en ‘predikant’ nog wel zinvol is, dan wel of we hen als dienaren van het Woord gewoon ‘voorgangers’ zouden moeten noemen.

Opleiding
Evangelisten en gemeentepredikanten moeten in principe op gelijk niveau opgeleid moeten zijn. Daarbij mag elementaire kennis van de talen waarin de Bijbel geschreven is niet verdwijnen. Toch vraag ik me af of dat moet betekenen dat iedere dienaar van het Woord in staat moet zijn met hulp van een woordenboek de brontekst te vertalen. Vooral voor zijinstromers kan dat een grote belemmering vormen die hen ver terugwerpt in het theoretische leren. Hier zou ik geen onderscheid willen maken tussen instromende evangelisten en gemeentepredikanten. Mijn belangrijkste argument is nog niet eens het praktische: in het Nieuwe Testament wordt nergens van dienaren van het Woord vereist dat zij de grondtalen beheersen. In de Grieks sprekende wereld van toen zou dat betrekking hebben op het Hebreeuws van het Oude Testament.
Toch moet er enige borging zijn dat de kennis over de volle breedte niet wegzakt. Ik stel me voor dat zijinstromers net als anderen admissie-examen doen en na aangenomen te zijn minimaal twee jaar in Apeldoorn studeren. Het curatorium zou samen met de hoogleraren moeten bepalen welk studieprogramma voor elke persoon passend is, gezien zijn onderwijsgeschiedenis. Ten aanzien van de Bijbeluitleg zou daarbij als minimumeis moeten gelden dat de aanstaande voorganger in staat is zijn weg te vinden in de wetenschappelijke commentaren op de Bijbelboeken. Daartoe is bijvoorbeeld het moeiteloos ontcijferen van de Hebreeuwse en Griekse letters van belang. Moet deze opleiding leiden tot een mastertitel? Dit lijkt me voor zijinstromers te hoog gegrepen. Een opleiding op hbo-niveau zou kunnen volstaan.
Eenmaal in de gemeente zou een supervisietraject van (bijvoorbeeld) vijf jaar wenselijk zijn, met nadruk op exegese en prediking. De zijinstromer wordt gekoppeld aan een academisch tot en met de master gevormde predikant voor een tweemaandelijkse bespreking van een preek en de achterliggende tekstverklaring.

Deeltijd
De mogelijkheden voor werken in deeltijd moeten worden verruimd. Gemeenten zijn vaak te klein voor een volledige kracht. Zij kunnen die niet betalen en zo iemand heeft er ook geen weektaak aan. Een combinatie met een naburige kleine gemeente is niet altijd mogelijk. De praktijk moet uitwijzen of deeltijdaanstelling een begaanbare weg is. Het tweeverdienersmodel in onze samenleving draagt aan de mogelijkheid daarvan wel bij.

Beloning
In onze maatschappij worden hbo-opgeleide mensen doorgaans minder royaal beloon dan academisch gevormden. In de kerk zou dit betekenen dat hbo-predikanten voor de plaatselijke kerk aantrekkelijker zijn, en dat de academische predikant wordt gepasseerd. Daarmee verdwijnt ook de kennis van de Bijbelse talen. Dat zou geen goede ontwikkeling zijn.
Ik grijp terug op het principe dat in de kerken geldt: dienaren van het Woord moeten onbezorgd van het evangelie kunnen leven. Zie daarvoor 1 Korintiërs 9:14 en Galaten 6:6. Uitgangspunt is niet het niveau van de opleiding, maar het onbezorgd zich kunnen wijden aan de geestelijke taak. Daarom pleit ik ervoor hbo-voorgangers en academische predikanten financieel op eenzelfde niveau te honoreren. Ter zijde: dit zou dan ook moeten gelden van de hoogleraren.
Op deze manier verdwijnt het oneigenlijke motief dat men met een hbo-voorganger voordeliger uit is.

Op deze manier is de aanstelling van zijinstromers, of het nu om evangelisten en meer traditionele gemeentepredikanten gaat, geen bedreiging maar een verrijking van het kerkelijke leven.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , | Reacties staat uit voor De invulling van de ambten (1): de evangelist

De ambten op de schop (4): hoe nu verder?

In de drie voorgaande blogs werd wel duidelijk dat ik niet enthousiast ben over het advies over de ambten waarin het ambt van predikant een opwaardering krijgt ten opzichte van dat van de ouderling. Ik pleitte voor doorgaan in de ambtstraditie waarin wij staan, maar ook voor een ontwikkeling daarvan in de richting van een dynamische en flexibele kerk, waarin voorgangers kunnen functioneren in deeltijd. In krimpende kerken zal dit onvermijdelijk zijn om het kerkelijke leven goed te laten functioneren.

Daarmee zijn we er echter nog niet uit. Want waar gaat deze ontwikkeling toe leiden? Ouderlingen krijgen meer ruimte om te onderrichten. Mensen met een hbo-opleiding theologie of andere aanverwante opleiding plus theologische interesse kunnen voor gemeenten aantrekkelijker lijken dan een academisch gevormde predikant. Zijinstromers brengen een hoop praktische ervaring mee en dat spreekt velen misschien wel meer aan dan een doorwrochte preek met veel nuances over de betekenis van de brontekst. Vlotheid en concreetheid winnen het van grondigheid en betrouwbaarheid. Bovendien zijn niet-academisch gevormde voorgangers goedkoper dan afgestudeerde theologen. Van lieverlee worden zo de theologisch geschoolde voorgangers naar de zijlijn gedrukt.

Deze te voorziene ontwikkeling is even begrijpelijk als verontrustend. Want waar blijft dan het vakmanschap in de uitleg van Gods Woord? Daarvoor is elementaire kennis van de grondtalen nodig. Hier mogen we toch niet op bezuinigen! Wellicht hoeven niet alle voorgangers op hetzelfde niveau toegang te hebben tot de bronteksten in het Hebreeuws en het Grieks, maar de verbinding met de bron moet wel geborgd blijven. De gemeente moet steeds weer leren luisteren naar wat de Geest tot haar zegt. Dat vraagt onder meer om een geoefend oor van de vertolker.

In de volgende blogs wil ik de uitdaging aannemen om daarover mijn gedachten te laten gaan. Hoe kunnen we én inspelen op nieuwe behoeften én de kwaliteit van de Schriftuitleg vasthouden? Daarvoor zijn mijns inziens vier criteria van belang:
– dicht bij de apostolische aanwijzingen in het Nieuwe Testament blijven;
– blijven aansluiten bij de ambtstraditie waarin wij staan;
– aanpassingen verrichten die aansluiten bij de behoeften van de kerk in deze tijd;
– kwaliteit bewaken.

Op basis van deze criteria ga ik nader in op de taken en bevoegdheden van de evangelist en de figuur van de lerende ouderling. Hierop spitsen de behoeften aan verandering zich mijns inziens toe. In een derde bijdrage wil ik nadenken over wat dit betekent voor de kerkorde. De overkoepelende titel van de blogs wordt: De invulling van de ambten.

Beschouw deze exercitie als een teken van optimisme, beter: vertrouwen. Ik houd het erop dat we als kerken een weg gaan vinden om elkaar vast te houden. De openheid die de kerken tot nu toe aan de dag hebben gelegd om in nieuwe situaties van multiculturalisme en ontkerkelijking naar nieuwe vormen te zoeken, geeft mij moed.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , | Reacties staat uit voor De ambten op de schop (4): hoe nu verder?

De ambten op de schop (3): respect voor de eigen traditie

Met hun voorstellen brengt de adviescommissie een grote verschuiving aan in onze traditionele ambtsvisie. Die traditie werd altijd door twee factoren bepaald. De eerste is dat de predikant een ouderling is met de bijzondere opdracht onderricht te geven. Dat komt overeen met 1 Timoteüs 5:17, waar Paulus zegt: ‘Oudsten die goed leiding geven moeten dubbel worden beloond, vooral degenen die zich veel moeite geven voor de prediking en het onderricht.’ De tweede factor is dat predikanten niet alleen een taak hebben in de plaatselijke gemeente, maar een grotere werkkring binnen het kerkverband: zij zijn aangesteld na onderzoek door de classis en met advies van deputaten van de particuliere synode, zij gaan ook elders in diensten voor en kunnen worden beroepen naar een andere gemeente. Zij worden ook aangesteld voor het leven en voor hen is een gedegen vooropleiding vereist.

Wat doet nu de adviescommissie? De eerste factor keert ze om en de tweede factor maakt ze groter. Wat die omkering betreft: het predikantschap wordt niet beschouwd als verbijzondering van het ouderingenambt, maar omgekeerd vertegenwoordigt de ouderling (net als de diaken) nu een deelaspect van het ene ambt dat met name door de predikant wordt bekleed. Dat alleen al zet de predikant meer in het centrum. Dat wordt nog versterkt: het predikantschap wordt verheven tot een bovenplaatselijk, door het kerkverband geordineerd ambt, de beide andere zijn (slechts) plaatselijke ambten. De predikant symboliseert de eenheid, heiligheid, katholiciteit en apostoliciteit van de kerk, de andere ambten meer de participatie van de gemeenteleden, de gaven van de Geest en het sociale karakter. Dit is een opmerkelijke verlegging van het accent bij de ouderling vandaan naar de predikant als het oriëntatiepunt voor het ambt.

Hier wordt gekozen voor een andere traditie, die waarin het leiderschap van de predikant als bisschop (episkopos, opziener) wordt benadrukt. Weliswaar kan daarvoor worden aangesloten bij die tweede factor waarin de predikant ruimere bevoegdheden heeft dan de ouderling, maar de tegenkracht die van de eerste factor uitgaat, wordt geneutraliseerd.

Maar een traditie kies je niet, die ontvang je. Het is zoals Paulus zegt over de avondmaalstraditie: ‘ik heb doorgegeven wat ik zelf ontvangen heb.’ Natuurlijk moet de ontvangen traditie kritisch worden verwerkt voordat ze kan worden doorgegeven. In de traditie zit beweging; als ze alleen maar letterlijk wordt doorgegeven, verstart ze. Zelfs kan een grondige herbronning en sanering van de traditie nodig zijn, zoals in de tijd van de Reformatie. Maar ook dat was geen keuze voor een andere traditie.

Waarom zouden we ons trouwens schrap moeten zetten tegen de huidige tendens van nivellering en functionalisering? Afwijzing van formele autoriteiten door onze samenleving vraagt toch om een gedoseerd antwoord. Het is de kunst om van de nood een deugd te maken. Bij de terugloop van de kerken in het westen zal het toch niet mogelijk zijn om overal predikantsplaatsen in stand te houden. Een domineeskerk is niet de remedie. Een dynamische, flexibele benadering stelt ons veelmeer in staat om de liturgie gaande te houden, met voorgangers die in deeltijd de gemeente onderrichten naast een andere maatschappelijke functie. Daartoe zou artikel 3 van de kerkorde – het spreken van een opbouwend woord in de eigen gemeente door een niet-predikant – kunnen worden aangepast en vaker toegepast.
Functionalisering is trouwens al tijden aan de orde. Het verplicht aftreden van ouderlingen en diakenen is daarvan een voorbeeld. Praktisch werkt dat gewoon beter. Of denk aan het recht op emeritering voor de predikant, dat het pensioenakkoord onder minister Koolmees volgt. Met roeping heeft dat niet zoveel te maken.

Bij mijn voorstelling van zaken blijven we in de lijn van onze traditie, kunnen we eisen blijven stellen aan de predikers van het evangelie, en zijn academisch en praktisch geschoolde predikanten nog steeds belangrijk, mede om andere ouderling-voorgangers toe te rusten en te begeleiden.
Zou dit niet een veel effectievere manier zijn om de ambtsleer en de ambtsuitoefening bij de tijd houden?

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , | Reacties staat uit voor De ambten op de schop (3): respect voor de eigen traditie