Hoe betrouwbaar is de CGK-synode?

De vraag boven dit stuk is ingrijpend. Toch komt ze boven. Dat ik hem stel is een uitnodiging tot verantwoording. Daar hebben wij recht op, of we nu binnen of buiten de CGK onze plek hebben. Op twee punten wil ik de vraag toelichten.

Op de synode was de vraag aan de orde, of samenwerkingsgemeenten naar de classis ook een ambtsdrager mogen afvaardigen die formeel lid is van het NGK-deel of GKV-deel van de gemeente. Principieel en kerkordelijk is dat mogelijk, heeft de synode van 2013 al vastgesteld. Alleen is er nog iets in het geding. Een aantal CGK-gemeenten heeft hiertegen bezwaren en dat zet de onderlingen eenheid onder druk. Er is gebrek aan vertrouwen. Dat is een reëel probleem. Maar de redenering die de synode gebruikt om hiermee om te gaan klopt niet.

Eerst geef ik voor de overzichtelijkheid de uitkomst: de synode heeft besloten dat zo’n ambtsdrager wel mag worden afgevaardigd en spreekrecht heeft, maar hij heeft geen stemrecht. Dat is natuurlijk een beetje wonderlijk. Daarmee wordt de bevoegdheid van deze afgevaardigden beperkt. Kerkenraden vaardigen broeders af om zonder last of ruggespraak over aan de orde gestelde zaken te oordelen. Maar dit ter zijde.

Het gaat mij om de redenering van de synode. Die klopt niet. Ze zegt: de binnenkerkelijke eenheid is een principiële zaak. Ze vervolgt met te zeggen dat aan beide principes recht gedaan moet worden: aan dat van de binnenkerkelijke eenheid én aan dat van het recht tot afvaardiging van de kerkenraad van een samenwerkingsgemeente. Zien we wat hier gebeurt? Eerst heet binnenkerkelijke eenheid een ‘principiële zaak’. Dat betekent: een zaak die raakt aan een principe. Vervolgens wordt die binnenkerkelijke eenheid zelf een principe genoemd. Dat is een verschuiving in betekenis.

Maar binnenkerkelijke eenheid als zodanig is helemaal geen principe. Het principe is: kerkelijke eenheid op basis van de drie belijdenissen: Heidelbergse Catechismus, Nederlandse Geloofsbelijdenis en Dordtse Leerregels. Die worden niet voor niets ‘formulieren van eenheid‘ genoemd. Volgens dat principe horen GKV- en NGK-ambtsdragers er helemaal bij. Dat in de praktijk de beleving van de kerkelijke en geestelijke eenheid op die basis toch nog een moeizame zaak is, doet aan dit principe niets af.

Door binnenkerkelijke eenheid eerst een principiële zaak te noemen, maar later een principe, worden op oneigenlijke wijze twee ‘principes’ tegen elkaar uitgespeeld: binnenkerkelijke eenheid en het recht op afvaardiging. Dat is niet zuiver.

Het tweede punt. De synode ontkent dat de uitspraak over homoseksuele relaties uit 2013 een leeruitspraak is. Hoe luidde die uitspraak ook al weer? ‘Seksuele omgang tussen mensen van hetzelfde geslacht en relaties waarin die omgang gestalte krijgt, zijn niet in overeenstemming met het Woord van God.’ Wat de synode hier uitspreekt is: de Schrift leert dat homoseksuele omgang in relaties in alle mogelijke vormen zondig is. Is dat geen leeruitspraak?

Intussen kun je ook van mening zijn dat in de Bijbelse uitspraken over homoseksuele handelingen exclusieve relaties in liefde en trouw, analoog aan het huwelijk, in deze Bijbelteksten buiten het gezichtsveld blijven. Ook die conclusie is gebaseerd op een gewetensvol onderzoeken van de Schrift. De synode spreekt echter uit dat die conclusie onbijbels is. Verschil van inzicht in wat de Bijbel op dit punt wel en niet leert, wordt niet getolereerd.

Wat doet de synode nu? Ze ontkent dat ze een leeruitspraak heeft gedaan die gewetens bindt. Ze betitelt haar uitspraak als Bijbelse verantwoording van haar besluit homoseksuele relaties te allen tijde te veroordelen. Vervolgens zegt ze: kerkelijke besluiten moet je altijd nakomen, want je hebt als ambtsdrager je handtekening gezet onder het verbindingsformulier dat dat verklaart.

Van de belijdenissen verklaren wij dat ze in alles met Gods Woord overeenkomen. Naast de belijdenissen hebben we ons ook gebonden aan de kerkorde en andere kerkelijke besluiten. Daarvan zeggen we echter niet dat ze in alles met Gods Woord overeenkomen. Ze mogen er natuurlijk niet mee strijden, maar vaak gaat het om praktische zaken die geregeld moeten worden. Aan de kerkorde en andere kerkelijke besluiten verklaar je je gewoon te houden, ook als je er niet gelukkig mee bent. Dat laatste mag, dat is geen principiële zaak. Wat gebeurt er nu? Het homobesluit wordt gepresenteerd als kerkelijk besluit over hoe wij in bepaalde situaties handelen. Maar je kunt je er alleen aan houden als je overtuigd bent dat de Schrift dat vraagt. Tegelijkertijd worden wij gebonden aan een overtuiging die de onze niet is, en die verder gaat dan wat wij samen als broeders en zusters belijden. Dat is niet eerlijk.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Een negatieve recensie

In het nummer van september/oktober 2017 van Ambtelijk Contact een recensie van mijn boek Willen en voelen en uitverkiezing: Hoe Arminius en Dordt nader tot elkaar kunnen komen. De bespreking is van de hand van collega A. van der Zwan. Het is nooit eenvoudig als auteur enigszins objectief op een recensie van je boek te reageren, omdat je er zelf zo nauw bij betrokken bent. Gemakkelijk speelt je eigen persoon dan een te grote rol. Toch moet het mogelijk zijn na een periode van afkoeling enige distantie te betrachten en enkele analyserende opmerkingen te maken.

De toonzetting is ronduit negatief, maar een introductie op de inhoud van het boek ontbreekt nagenoeg geheel. De recensent gaat dan ook nergens inhoudelijk op het boek in. Om die reden kun je je afvragen of de reactie de naam ‘recensie’ wel verdient. Om een voorbeeld te geven: het eerste punt dat aan de orde wordt gesteld is, of ik de gereformeerde godgeleerden uit de 17de, 18e en 19e eeuw niet aan het woord had moeten laten. Ik denk van niet, maar hoe je daar ook over denkt, het is een opmerking over wat in het boek niet staat, en niet over wat er wel in staat.

Teleurstellend is het feit, dat uit niets blijkt dat de recensent mijn verbondenheid met de Dordtse Leerregels heeft opgemerkt. Hij weet alleen maar kritiek te leveren. Maar ik breng duidelijk naar voren dat de accenten van de Leerregels onopgeefbaar zijn, zowel bijbels-theologisch als op het niveau van de spiritualiteit. Als ik God zoek en tot geloof kom, dan is dat niet mijn verdienste, het is ook niet een min of meer toevallige samenloop van omstandigheden, dan is dat genade. Ik wordt geraakt en aangeraakt door Hem. Dat begint bij God. Hij overweldigt mij en wordt mij te sterk.

De andere kant is, dat met de Dordtse Leerregels niet het laatste woord gezegd is over de manier waarop het Nieuwe Testament spreekt over de toe-eigening van Gods beloften. Het Nieuwe Testament kent ook andere invalshoeken. Daar leg ik ook de vinger bij. Die verschillende invalshoeken komen we ook tegen in de breedte van de CGK. Daarom zou dit boek een goede rol kunnen spelen in het onderlinge gesprek dat de verschillen bespreekbaar wil maken.

Helaas is dat aan Van der Zwan niet besteed. Die vindt dat mijn boekje hem niet verder geholpen heeft. Hij is zelfs geschrokken. ‘En dat hoofdstuk 13 concludeert dat zowel Arminius als de Leerregels één van de ‘Bijbelse perspectieven’, die de auteur opgespoord heeft, hebben laten liggen, deed mij schrikken. Zaten onze vaderen er dan tóch naast?’ Voor mensen die van spannende theologie houden, zou dit als een aanbeveling kunnen worden beschouwd. Maar zo is het niet bedoeld. Eén geruststelling, de vaderen zaten er níet naast, dat maak ik ondubbelzinnig duidelijk. Wel leg ik uit dat hun invalshoek beperkt was.

Dat Van der Zwan zo negatief schrijft is niet alleen teleurstellend, ik vind het ook zorgwekkend. Het komt op mij over als een blijk van onvermogen vernieuwende theologische gezichtspunten op waarde te schatten. Ik vrees dat deze uiting daarvan niet op zichzelf staat. Verbreding van het theologische perspectief staat onder verdenking. Zo’n argwanende, gesloten houding staat een inhoudelijke communicatie in de weg. Voor de toekomst van het kerkverband belooft dat helaas niet veel goeds. Dat is mijn zorg.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Noyon en Lourdes

Het was onze bedoeling op onze kampeervakantie in Frankrijk Noyon aan te doen. Daar zouden we het geboortehuis van Johannes Calvijn bezoeken, dat nu is omgevormd tot een museum. In plaats daarvan is het Lourdes geworden. De vooruitzichten op regen weerhielden ons ervan ons in het noorden op te houden. We kozen ervoor naar het zuiden af te zakken, waar we weliswaar niet alle regen konden vermijden, maar waar de temperatuur toch aangenaam was.

Lourdes heeft net als voor ons Noyon een bijzonder karakter. Het is een bedevaartsoord voor rooms-katholieke pelgrims uit de hele wereld. Het verhaal gaat dat Maria daar in een grot achttien keer aan het veertienjarige meisje Bernadette is verschenen, dat van haar de oproep kreeg voor de bekering van zondaars te bidden en daar een kapel te laten bouwen. Het water uit de grot heeft in combinatie met het gebed aan velen genezing geschonken. Van wat dit voor het huidige Lourdes betekent wilden wij wel eens getuige zijn.

Wat hebben gelovigen die zich met Calvijn verbonden weten te zoeken in Lourdes? Het was vooral de devotie, de verwachting, de overgave en de vrede die ik daar zocht. Daarmee zou ik me verbonden kunnen voelen, zij het dat de weg erheen in mijn geloofspraktijk een wat andere is. Die wijding heb ik er ook gevonden en het heeft me iets gedaan. Er zijn prachtige kerken te bezichtigen, boven op elkaar gebouwd, en er is in de vorige eeuw een ondergrondse basiliek gebouwd die duizenden mensen kan bevatten. Er gebeurt van alles. Lange rijen mensen, al dan niet gehandicapt, wachten op het moment dat zij de grot in kunnen en iets van het water kunnen proeven. Er worden op allerlei plekken diensten gehouden in vele talen. Men vindt er een concentratie op de werkelijkheid van God, die weldadig aandoet tegen de achtergrond van onze samenleving waarin God wordt doodgezwegen.

Toch heeft wat ik aantrof me ook bevreemd; soms stond het me zelfs tegen. Als ik mensen op het grote plein in diepe eerbied voor een Mariabeeld zie knielen, beginnen mijn gemengde gevoelens. Dat mensen in andere geloofstradities dan de mijne andere accenten zetten kan ik aanvaarden. Dat een Mariabeeld de nabijheid van Gods barmhartigheid symboliseert, spreekt me ook wel aan. Maar dat de gebedshouding volledig is gericht op zo’n stenen beeld, geeft me moeite.

Het grootste probleem ervoer ik bij een gebedssamenkomst voor zieken in de ondergrondse basiliek. Die was aan een van beide zijden van het altaar dat in het midden staat gevuld, dus ongeveer voor de helft. Wat gebeurde daar? De hostie, het gewijde brood, werd in de monstrans eerst op het altaar neergezet. Zo’n monstrans is een kastje waarin de hostie tentoongesteld wordt, hier voorzien van een grote gouden stralenboog. Drie priesters in vol ornaat knielden neer in een langdurige stilte. Daarna werd de hostie in de monstrans plechtig rondgedragen door drie priesters, gevolgd door drie misdienaren, van wie de middelste een grote goudkleurige parasol boven de monstrans hield. Soms hield de stoet stil bij een vak. Waar ze zich ophield, gingen de mensen op de knieen in een gebedshouding. Ondertussen zong het koor voortdurend: ‘Adoramus te’, ‘Benedicimus te’: Wij aanbidden u, wij zegenen u.

Wat gebeurde hier? De hostie werd rondgedragen en aanbeden. Heeft de Heidelbergse Catechismus dan toch gelijk, dat in de Rooms-Katholieke kerk de praktijk van de aanbidding van de hostie niet anders is dan een vervloekte afgoderij?

Nog niet zolang geleden heb ik in Kontekstueel verdedigd dat het oordeel van de catechismus te streng is. Men gelooft in de RK kerk dat het brood wezenlijk is veranderd in het lichaam van Christus. Daarmee hoef ik niet in te stemmen om toch te kunnen onderkennen dat het in de aanbidding van de hostie gaat om de aanbidding van Christus zelf en om niemand of niets anders. De roomse beleving is dat in de hostie Christus nabij wordt gebracht. Wie gelooft dat Christus zo nabijkomt, zal in aanbidding Christus eren in het brood.

Inmiddels vraag ik me af of de catechismus niet toch meer gelijk heeft dan hij van mij gekregen heeft. In die basiliek richtte alle aandacht zich op de hostie en het ritueel dat daaromheen vorm kreeg. Ieder besef dat wij het heilige en de Heilige niet kunnen beetpakken en manipuleren, was hier afwezig. Dat besef kwam in ieder geval niet tot uitdrukking. De concentratie op de hostie in die schitterende monstrans en de bewegingen van de priestergroep te midden van de aanwezigen beheersten de aandacht. Alsof de troost ligt in het op rakelings voorbijkomen van de hostie.

Is hierdoor mijn mening over het oordeel van de catechismus over de roomse mis herzien? Dat gaat me net iets te snel. Maar ik moet wel erkennen dat in Lourdes geen enkele aanleiding wordt gegeven om de conclusie van de Heidelbergse Catechismus te heroverwegen.

 

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen