Hermeneutiek, of: hoe lezen we de Bijbel in deze tijd? (2)

Traditionele theologen verzetten zich tegen de conclusie van de moderne hermeneutiek, dat alle verstaan van historische teksten, ook die van de Bijbel, tijdgebonden elementen bevat. Zij zijn bang dat daarmee de boodschap van de Bijbel wordt gerelativeerd. De Schrift zou dan niet meer werkelijk gezag kunnen oefenen, omdat onze historische context bepalend zou zijn voor wat we erin horen. Echter, we hebben gezien dat ook hun uitlegmethode cultuurhistorisch bepaald is. De analytische distantie die bij de exegese in acht wordt genomen, de rationele bestudering en het optimisme dat op deze wijze absoluut geldige waarheid aan het licht wordt gebracht, weerspiegelen stuk voor stuk de omgang met onze ervaringswerkelijkheid en met oude teksten die typerend is voor de vroegmoderne tijd. Dus even goed tijdgebonden. De vraag die daardoor blijft hangen is: wordt daarmee niet alles relatief?

Mijn eerste antwoord op die vraag is, dat we de winst van het analytische denken dat naar objectieve waarneming streeft niet hoeven te minimaliseren. Deze objectiverende benadering is waardevol om de tekst zijn eigen verhaal te laten doen. Tegelijk moeten we die winst ook niet overschatten. Meningsverschillen worden bijna nooit beslecht door objectieve, rationele argumenten. Doorgaans blijkt daar een gevoelslaag onder te zitten, waar de eigenlijke beslissing is gevallen. De argumenten dienen er vaak toe die onderliggende voorkeuren rationeel te rechtvaardigen. Dus: ja, rationele analyse heeft haar waarde, maar nee, ze is meestal niet objectief, ook al wordt er naar objectiviteit gestreefd. Ook traditionele theologie is tijdbepaald.

Mijn tweede antwoord luidt: weliswaar is iedere uitleg tijdgebonden, maar dat betekent niet dat alles relatief wordt. Gods waarheid is één en heeft het hoogste gezag, alleen is onze kennis ervan beperkt. Onze cultuurhistorische bepaaldheid geeft ons mogelijkheden om oude teksten te verstaan, maar brengt daar ook een beperking bij aan. Wat doen we nu als we met elkaar in gesprek zijn? Dan proberen we zo dicht mogelijk bij de betekenis van de tekst te komen. De rationele analyses en argumenten die we daarbij gebruiken helpen ons om ons van onze eigen vooronderstellingen en die van anderen bewust te worden. Die bewaren ons ervoor te snel te denken dat we de teksten hebben verstaan. Ze maken ons nederig en bescheiden en doen ons beseffen dat we elkaar nodig hebben. Soms moeten we aanvaarden dat we elkaar niet kunnen overtuigen, en dat we met een even grote eerbied voor de Schrift toch verschillende conclusies kunnen trekken. Van relativisme is dan in ieder geval geen sprake. De Schrift blijft ons ankerpunt.

Ten slotte wil ik erop wijzen dat erkenning van onze culturele afhankelijkheid bij de Bijbeluitleg geen afbreuk doet aan het gezag van de Bijbel, maar aan de aanvaarding daarvan juist bijdraagt. Uitleggers die van mening zijn dat zij hun eigen verstaanscontext kunnen overstijgen en via hun exegetische methoden onbetwistbare toegang kunnen krijgen tot (een deel van) de objectieve waarheid van de onderzochte teksten, snijden zich in hun vingers. Want onbedoeld annexeren zij op die manier de tekst en stellen ze die in dienst van hun eigen inzichten. Hun mening geven ze uit voor het Woord van God. Daarmee heersen ze over het Woord. Dat is niet hun opzet, maar wel de feitelijke stand van zaken. Om dat te voorkomen moeten ze tot de erkenning komen dat ook hun eigen denken contingent is, dat wil zeggen: afhankelijk van allerlei invloeden van de tijd waarin we leven.

Alleen op deze manier is een vruchtbare kerkelijke discussie mogelijk. We moeten weg van de absolute leeruitspraken door synoden in allerlei praktische kwesties die voor de waarheid van God worden uitgegeven. Wie het daarmee niet eens is wordt bij voorbaat als serieuze gesprekspartner afgewezen. De intentie is trouw zijn aan Gods Woord, maar de realiteit is geestelijke zelfoverschatting. Daarmee doen we niet alleen aan de gesprekspartner, maar ook en vooral aan het Woord van God geen recht.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , | Reacties staat uit voor Hermeneutiek, of: hoe lezen we de Bijbel in deze tijd? (2)

Hermeneutiek, of: hoe lezen we de Bijbel in deze tijd? (1)

Als we het hebben over de plaats van de vrouw in de gemeente, gaat het niet alleen over de zorgvuldige uitleg van Bijbelteksten, maar ook over een meer overkoepelende vraag: hoe lezen we de Bijbel in deze tijd? Dat is de vraag naar de hermeneutiek. Tegenstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen brengen als voor hen belangrijk argument naar voren: de voorstanders hebben een andere hermeneutiek. Die laten de betekenis van de Bijbel mede afhangen van de tijd waarin we leven. En daarmee maken ze wat er staat tijdgebonden. In deze blog wil ik laten zien dat het minder simpel ligt.

Wat is de les van de moderne hermeneutiek? Die is dat we de Bijbel niet blanco kunnen lezen. We nemen altijd onze interesses en vooronderstellingen mee. Die bepalen mede waar we op letten en hoe we de teksten verstaan en tot gelding brengen. De uitlegger maakt deel uit van het interpretatieproces. Dat wordt de hermeneutische cirkel genoemd. Dat betekent niet dat de tekst alleen maar zegt wat wij graag willen horen, want in een eerlijk luisteren letten we ook op wat schuurt en tegen onze voorkeuren indruist. In dat proces van voorverstaan en nieuw verstaan zoeken we naar wat de teksten ons in onze context te zeggen hebben.

Meer traditionele theologen maken daartegen bezwaar. De uitlegger krijgt huns inziens op deze manier een te grote inbreng. Het ‘zo spreekt de Heer’ speelt naar hun oordeel een te weinig onafhankelijke rol. Wat de tekst in de tweede of in de zeventiende eeuw zei, dat zegt hij ook nu. Wij hebben daaronder te buigen, of dat nu bij onze belevingswereld past of niet. Het is een kwestie van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.

Wat zij over het hoofd zien is, dat ook hun eigen uitleg tijdbepaald is. Ze gaan ervan uit dat zij met een vrome (positief bedoeld) onderzoekende geest voldoende afstand van de tekst kunnen nemen om daarvan de objectieve betekenis te kunnen vaststellen. Natuurlijk kan een uitlegger zich vergissen, maar met elkaar komen we toch tot een onomstreden beeld van de betekenis. Met vertrouwen spreken ze dan uit: dit zegt de Schrift! Ieder die het niet met ons eens is, gaat in tegen de Schrift. Die buigt niet onder het gezag van de Schrift.

Het doet me denken aan wat Ab van Langevelde schrijft in zijn dissertatie uit 2015 over prof. C. Veenhof. Ze heeft de veelzeggende hoofdtitel: In het klimaat van het absolute, en beschrijft de geschiedenis van de Vrijmaking en de spanningen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). De auteur spreekt over de ideologie van het ene goede antwoord binnen de vrijgemaakte kerken in de jaren ’50 van de vorige eeuw. Via grondige Bijbelstudie zou langs rationele weg de absolute betekenis kunnen worden vastgesteld. Dit streven naar heldere, uniforme antwoorden liet nauwelijks ruimte voor meningsverschillen. Van Langevelde spreekt van een typisch moderne veronderstelling (zie p. 389).

Dat is onthullend. Van Langevelde spreekt van een typisch moderne veronderstelling, terwijl traditionele uitleggers hier natuurlijk niets van willen weten. Het zou betekenen dat  ook hun uitleg tijdgebonden is. Toch heeft hij gelijk. Het is typisch modern een gedistantieerde analytische positie in te nemen om van daaruit te registreren hoe de werkelijkheid (en ook een tekst) in elkaar zit. Vóór de moderne tijd (die in de Renaissance begint) was daarvan geen sprake. Uitleg van de Bijbel werd altijd gegeven vanuit betrokkenheid bij de zaak en niet vanuit analytische distantie. Zo gebeurt dat in het Nieuwe Testament ten opzichte van het Oude ook.

De omslag naar de moderne benadering leidt tot een ongehoord optimistische kijk op ons vermogen de teksten tot hun recht te laten komen. Eens voor altijd maakt hun uitleg duidelijk wat de tekst wil zeggen. Ook dit optimisme is typisch modern. In de vorige eeuw hebben we gezien hoeveel schade deze houding kerkelijk heeft aangericht: individuen en groepen botsten frontaal op elkaar. De ravage was groot.

Intussen brengt deze pretentie van de traditionele benadering haar in diskrediet. Zij pretendeert boven de wisseling van de tijden verheven te zijn. Maar zij blijkt zelf een kind van haar eigen tijd te zijn. Zij kan haar pretentie niet waarmaken. Met haar rationele inslag en optimisme is het resultaat van haar Schriftbenadering aantoonbaar tijdgebonden.

Maar hoe moet het dan? Heeft iedere tijd dan haar eigen waarheid? Is de waarheid niet één? Geeft de Bijbel niet langer de doorslag? Onderwerpen we de Schrift aan onze eigen tijdgebonden voorkeuren? Leidt dit niet tot relativisme? Die vragen bewaar ik voor de volgenden keer.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , | Reacties staat uit voor Hermeneutiek, of: hoe lezen we de Bijbel in deze tijd? (1)

Artikel 31 (2)

Er zit een adder onder het gras, wanneer we zeggen dat volgens artikel 31 van de kerkorde wat de Schrift zegt prioriteit heeft boven wat de kerken besluiten. Wat was de bepaling ook al weer? Wat bij meerderheid van stemmen uitgesproken is, zal voor vast en bondig worden gehouden, tenzij bewezen wordt, dat dit in strijd is met het Woord van God, de belijdenis of de kerkorde. De vraag is nu: wanneer kan nu bewezen worden geacht dat een kerkelijke uitspraak in strijd is met Gods Woord? Wordt dat bepaald door de overtuiging van degene die iets meent te hebben bewezen, of wordt dat bepaald door de kerk?

Beide opvattingen worden verdedigd. Die beide opvattingen schemeren ook door in de verschillende redacties van artikel 31 in de opeenvolgende uitgaven van de Dordtse kerkorde die uit 1618 stamt. Om dit uit te leggen moet ik dieper ingaan op de inhoud van artikel 31. Het belangrijkste punt dat daar gemaakt wordt is niet dat besluiten bindend zijn, maar dat iemand die zich door een besluit bezwaard en verongelijkt voelt, daartegen in beroep kan gaan bij een meerdere vergadering. Het verschil in redactie betreft de verhouding tussen dat recht van appel en het bindende karakter van de uitspraak.

In haar oorspronkelijke uitgave sprak de kerkorde uit, dat iemand die zich beklaagt verongelijkt te zijn door een uitspraak, zich op een meerdere vergadering kan beroepen. Daarop volgt dan: wat met meerderheid van stemmen wordt besloten, zal voor vast en bondig gehouden worden, tenzij wordt bewezen dat het in strijd is met Gods Woord of de artikelen die de synode heeft vastgesteld. Artikel 31 spreekt hier over het bindende karakter van een uitspraak op een appel dat is aangetekend. Dit bindende karakter heeft een grens: een principiële grens en een praktische grens. De principiële grens is wat Gods Woord zegt. Als je kunt aantonen dat dat Woord iets anders zegt dan de kerk besloot, ben je niet aan haar uitspraak gebonden. De praktische grens is wat de kerk aan praktische regelingen heeft getroffen, bijvoorbeeld in de kerkorde. Als een nieuwe uitspraak daarmee in strijd is, is het onmogelijk aan beide te voldoen: als je je aan het ene houdt, kom je met het andere in strijd. In dat geval geldt de eerder vastgestelde regeling.

Het moge duidelijk zijn welke tendens deze redactie van artikel 31 heeft: de kerk doet een uitspraak in een appelzaak, de appellant handelt daarnaar, tenzij die aantoont dat dit in strijd is met het Woord of de kerkelijke bepalingen. Dan legt hij/zij de uitspraak van de vergadering naast zich neer.

De huidige redactie van artikel 31 is anders. Die begint met de uitspraak dat wat bij meerderheid van stemmen uitgesproken is, voor vast en bondig wordt gehouden, tenzij bewezen wordt … Hier gaat het dus niet specifiek over het bindende karakter van een uitspraak in een beroepsprocedure, maar over de uitspraken van de kerk in het algemeen. Wat mij betreft is dat geen probleem. Opvallender is, dat pas daarna gesproken wordt van het recht om in appel te gaan. Daar wordt dan aan toegevoegd: Hij dient dan te bewijzen dat het bedoelde besluit in strijd is met de Heilige Schrift, de belijdenis van de kerk en/of de aanvaarde kerkorde. Deze toevoeging loopt parallel met wat er volgt op tenzij bewezen wordt …, namelijk: dat dit in strijd is met het Woord van God, de belijdenis of de kerkorde.
De tendens in deze redactie is omgekeerd: eerst stel je vast dat een kerkelijk besluit, welk dan ook, in strijd is met Gods Woord, en pas daarna ga je in appel en toon je dat aan. Vervolgens is het aan de kerk om te beoordelen of je inderdaad hebt bewezen of het gewraakte besluit in strijd is met de Schrift. Als de meerdere vergadering besluit van niet, dan is dat besluit op zijn beurt bindend. Hier is dus de tendens om aan de kerk het laatste woord te geven.

Ik schrijf bewust: ‘tendens’, want expliciet zeggen beide redacties van artikel 31 niet wat ik als tendens meen te ontwaren. Zij geven geen van beide uitsluitsel over de vraag of nu de Schrift of de kerk het laatste woord heeft voor een gemeentelid of een kerkenraad wanneer die meent te kunnen aantonen dat de Schrift een andere weg wijst dan de kerk. Hoe komen we daaruit?

Door artikel 31 van de kerkorde te verbinden met artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dat spreekt uit: Men mag ook geen geschriften van mensen, hoe heilig zij ook geweest zijn, gelijk stellen met de goddelijke Schriften, noch de gewoonte met de waarheid Gods – want de waarheid gaat boven alles – noch het grote aantal, noch de ouderdom, noch de ononderbroken voortgang in de tijden of de opvolging van personen, noch de concilies, decreten of besluiten.
Hier wordt toch wel overduidelijk gezegd dat de Schrift vóór een kerkelijke uitspraak gaat. Dat betekent: wanneer iemand overtuigd is dat de Schrift een andere weg wijst dan het kerkelijke besluit, dat hij of zij daarvan verantwoording aflegt met een beroep op de Schrift en dan handelt volgens zijn of haar overtuiging, uiteindelijk onafhankelijk van de vraag hoe de kerk daarover denkt, maar natuurlijk wel na daarover het intensieve overleg te hebben gezocht binnen de geloofsgemeenschap.

Artikel 7 uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis sluit dus nauw aan bij de tendens in de oorspronkelijke redactie van artikel 31 van de kerkorde. Dat is niet verwonderlijk. Ze behoren bij dezelfde geestelijke en kerkelijke geloofstraditie. Mevrouw A. van Harten-Tip heeft dit aangetoond in haar dissertatie die zij op 20 november 2018 in Apeldoorn heeft verdedigd. Zij is predikant (!) in de voortgezette gereformeerde kerk van Assen en vergeleek onder meer de Dordtse kerkorde met de Nederlandse kerkelijke belijdenissen. Helaas heeft zij het in het geheel niet over de verhouding van artikel 7 NGB en artikel 31 KO, terwijl dit juist zo’n aangelegen punt is in de gereformeerde beleving van geloof en kerk-zijn. Is deze omissie tekenend? In ieder geval is het een blinde vlek.

Deze analyse bevestigt eens te meer: laten we intensief met elkaar in gesprek gaan over wat de Schrift zegt over het thema vrouw en ambt, maar geven we elkaar ook in respect de ruimte om van inzicht te verschillen en naar eigen inzicht te handelen, zonder alles te willen persen in een geforceerd eenheidsdenken dat beheerst wordt door regels van uniformiteit. Dat zet de geestelijke eenheid onder druk.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , | Reacties staat uit voor Artikel 31 (2)