Wat heeft de CGK-synode in 1998 uitgesproken over de vrouw?

In De Wekker, het landelijke blad van de CGK, wordt een beeld opgeroepen van wat de synode van 1998 heeft uitgesproken dat niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. In nummer 9 van dit jaar schrijft de hoofdredacteur, dr. Arie Versluis, dat de kerken hebben uitgesproken ‘dat uit het geheel van het spreken van de Heilige Schrift duidelijk is dat het gezaghebbend leiding geven aan de gemeente aan de man en niet aan de vrouw toekomt.’ Een nummer later schrijft redactielid ds. Anne van Olst dat de kerken in 1998 uitspraken dat de leiding van de gemeente volgens de Schrift niet toekomt aan de vrouwen in de gemeente. ‘De kerken spraken uit dat de Schrift de vrouw in het ambt niet toeliet.’

Dit hebben de kerken echter niet uitgesproken. De geschiedenis wordt door hen vertekend, ongetwijfeld niet expres. Hoe komen zij er dan bij dat de synode dit heeft gezegd? Dat halen ze uit de adviezen van het meerderheidsrapport dat de kwestie van vrouw en ambt voorbereidde. Daar hoort de volgende formulering bij: ‘dat uit het geheel van het spreken van de Heilige Schrift geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat in de gemeente van Christus vrouwen geen ambtelijke positie kunnen bekleden’, en: ‘dat het binnen het kader van de gereformeerde schriftbeschouwing en ambtsopvatting onmogelijk is om de ambten open te stellen voor zusters der gemeente.’

Maar wat heeft de synode dan wel uitgesproken? Ze heeft de formuleringen van het meerderheidsrapport niet overgenomen. Ze is van oordeel dat de visie van de meerderheid van deputaten ‘een deugdelijke en overtuigende onderbouwing is van het standpunt, dat in de Christelijke Gereformeerde Kerken steeds als het schriftuurlijke heeft gegolden’. Ze spreekt uit, ‘dat het standpunt ten aanzien van de vrouw in het ambt, dat in de Christelijke Gereformeerde Kerken steeds heeft gegolden, schriftuurlijk verantwoord is’.

Het valt op dat deze woorden terughoudender zijn dan het voorstel van de meerderheid van deputaten. Niet: de Bijbel sluit de vrouw in het ambt uit, maar: de gangbare praktijk is Bijbels verantwoord. Verder valt op dat wat de synode uiteindelijk uitspreekt nog weer iets voorzichtiger getoonzet is dan haar overweging onder ‘van oordeel’. Onder ‘van oordeel’ wordt gesproken van een deugdelijke en overtuigende onderbouwing, in de uitspraak wordt gesproken van ‘schriftuurlijk verantwoord’.

Heeft het aanbrengen van deze nuance op wat De Wekker bericht zin, of is het manoeuvreren op de vierkante millimeter? Dat laatste toch niet. Het verschil is namelijk dat het besluit van de synode niet uitsluitend is. ‘Schriftuurlijk verantwoord’ laat enige ruimte voor een andere visie die bij nader inzien misschien wel nog meer Schriftuurlijk verantwoord is. De bewoordingen van het meerderheidsrapport zijn daarentegen absoluut. Als de synode die had overgenomen, had zij een leeruitspraak gedaan. In haar wijsheid heeft zij daarvan afgezien.

Heeft het verschil nog praktische gevolgen? Ja, dat heeft het, en dan vooral voor de toon van de discussie. Van Olst schrijft: ‘Volgens de kerken raakt het wel de Schrift en de belijdenis.’ Met zo’n opstelling raakt de discussie snel oververhit. Daar hebben we niets aan. Mijns inziens raakt de discussie niet de belijdenis, ook niet de belijdenis over de Schrift. Voor- en tegenstanders van de vrouw als ambtsdrager erkennen het gezag van de Schrift. Gelukkig erkent Versluis dat er vrijheid is van persoonlijk gevoelen in de CGK. Dat is ook de indruk die van de behandeling op de synode van 1998 achterblijft. Maar als die ruimte er is, raakt het niet de Schrift en de belijdenis. Als dat wel zo was, was er ook geen ruimte de Schrift anders te verstaan.

Uiteraard gaat het wel om de juiste interpretatie van de Schrift. Daarover moet het gesprek gaan, zonder bij voorbaat de ander van ontrouw aan de Schrift te betichten. Goed luisteren naar elkaars argumenten en overwegingen, met de bereidheid om van elkaar te leren, daar zal het om gaan.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Hermeneutiek, of: hoe lezen we de Bijbel in deze tijd? (2)

Traditionele theologen verzetten zich tegen de conclusie van de moderne hermeneutiek, dat alle verstaan van historische teksten, ook die van de Bijbel, tijdgebonden elementen bevat. Zij zijn bang dat daarmee de boodschap van de Bijbel wordt gerelativeerd. De Schrift zou dan niet meer werkelijk gezag kunnen oefenen, omdat onze historische context bepalend zou zijn voor wat we erin horen. Echter, we hebben gezien dat ook hun uitlegmethode cultuurhistorisch bepaald is. De analytische distantie die bij de exegese in acht wordt genomen, de rationele bestudering en het optimisme dat op deze wijze absoluut geldige waarheid aan het licht wordt gebracht, weerspiegelen stuk voor stuk de omgang met onze ervaringswerkelijkheid en met oude teksten die typerend is voor de vroegmoderne tijd. Dus even goed tijdgebonden. De vraag die daardoor blijft hangen is: wordt daarmee niet alles relatief?

Mijn eerste antwoord op die vraag is, dat we de winst van het analytische denken dat naar objectieve waarneming streeft niet hoeven te minimaliseren. Deze objectiverende benadering is waardevol om de tekst zijn eigen verhaal te laten doen. Tegelijk moeten we die winst ook niet overschatten. Meningsverschillen worden bijna nooit beslecht door objectieve, rationele argumenten. Doorgaans blijkt daar een gevoelslaag onder te zitten, waar de eigenlijke beslissing is gevallen. De argumenten dienen er vaak toe die onderliggende voorkeuren rationeel te rechtvaardigen. Dus: ja, rationele analyse heeft haar waarde, maar nee, ze is meestal niet objectief, ook al wordt er naar objectiviteit gestreefd. Ook traditionele theologie is tijdbepaald.

Mijn tweede antwoord luidt: weliswaar is iedere uitleg tijdgebonden, maar dat betekent niet dat alles relatief wordt. Gods waarheid is één en heeft het hoogste gezag, alleen is onze kennis ervan beperkt. Onze cultuurhistorische bepaaldheid geeft ons mogelijkheden om oude teksten te verstaan, maar brengt daar ook een beperking bij aan. Wat doen we nu als we met elkaar in gesprek zijn? Dan proberen we zo dicht mogelijk bij de betekenis van de tekst te komen. De rationele analyses en argumenten die we daarbij gebruiken helpen ons om ons van onze eigen vooronderstellingen en die van anderen bewust te worden. Die bewaren ons ervoor te snel te denken dat we de teksten hebben verstaan. Ze maken ons nederig en bescheiden en doen ons beseffen dat we elkaar nodig hebben. Soms moeten we aanvaarden dat we elkaar niet kunnen overtuigen, en dat we met een even grote eerbied voor de Schrift toch verschillende conclusies kunnen trekken. Van relativisme is dan in ieder geval geen sprake. De Schrift blijft ons ankerpunt.

Ten slotte wil ik erop wijzen dat erkenning van onze culturele afhankelijkheid bij de Bijbeluitleg geen afbreuk doet aan het gezag van de Bijbel, maar aan de aanvaarding daarvan juist bijdraagt. Uitleggers die van mening zijn dat zij hun eigen verstaanscontext kunnen overstijgen en via hun exegetische methoden onbetwistbare toegang kunnen krijgen tot (een deel van) de objectieve waarheid van de onderzochte teksten, snijden zich in hun vingers. Want onbedoeld annexeren zij op die manier de tekst en stellen ze die in dienst van hun eigen inzichten. Hun mening geven ze uit voor het Woord van God. Daarmee heersen ze over het Woord. Dat is niet hun opzet, maar wel de feitelijke stand van zaken. Om dat te voorkomen moeten ze tot de erkenning komen dat ook hun eigen denken contingent is, dat wil zeggen: afhankelijk van allerlei invloeden van de tijd waarin we leven.

Alleen op deze manier is een vruchtbare kerkelijke discussie mogelijk. We moeten weg van de absolute leeruitspraken door synoden in allerlei praktische kwesties die voor de waarheid van God worden uitgegeven. Wie het daarmee niet eens is wordt bij voorbaat als serieuze gesprekspartner afgewezen. De intentie is trouw zijn aan Gods Woord, maar de realiteit is geestelijke zelfoverschatting. Daarmee doen we niet alleen aan de gesprekspartner, maar ook en vooral aan het Woord van God geen recht.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , | Reacties staat uit voor Hermeneutiek, of: hoe lezen we de Bijbel in deze tijd? (2)

Hermeneutiek, of: hoe lezen we de Bijbel in deze tijd? (1)

Als we het hebben over de plaats van de vrouw in de gemeente, gaat het niet alleen over de zorgvuldige uitleg van Bijbelteksten, maar ook over een meer overkoepelende vraag: hoe lezen we de Bijbel in deze tijd? Dat is de vraag naar de hermeneutiek. Tegenstanders van de openstelling van de ambten voor vrouwen brengen als voor hen belangrijk argument naar voren: de voorstanders hebben een andere hermeneutiek. Die laten de betekenis van de Bijbel mede afhangen van de tijd waarin we leven. En daarmee maken ze wat er staat tijdgebonden. In deze blog wil ik laten zien dat het minder simpel ligt.

Wat is de les van de moderne hermeneutiek? Die is dat we de Bijbel niet blanco kunnen lezen. We nemen altijd onze interesses en vooronderstellingen mee. Die bepalen mede waar we op letten en hoe we de teksten verstaan en tot gelding brengen. De uitlegger maakt deel uit van het interpretatieproces. Dat wordt de hermeneutische cirkel genoemd. Dat betekent niet dat de tekst alleen maar zegt wat wij graag willen horen, want in een eerlijk luisteren letten we ook op wat schuurt en tegen onze voorkeuren indruist. In dat proces van voorverstaan en nieuw verstaan zoeken we naar wat de teksten ons in onze context te zeggen hebben.

Meer traditionele theologen maken daartegen bezwaar. De uitlegger krijgt huns inziens op deze manier een te grote inbreng. Het ‘zo spreekt de Heer’ speelt naar hun oordeel een te weinig onafhankelijke rol. Wat de tekst in de tweede of in de zeventiende eeuw zei, dat zegt hij ook nu. Wij hebben daaronder te buigen, of dat nu bij onze belevingswereld past of niet. Het is een kwestie van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.

Wat zij over het hoofd zien is, dat ook hun eigen uitleg tijdbepaald is. Ze gaan ervan uit dat zij met een vrome (positief bedoeld) onderzoekende geest voldoende afstand van de tekst kunnen nemen om daarvan de objectieve betekenis te kunnen vaststellen. Natuurlijk kan een uitlegger zich vergissen, maar met elkaar komen we toch tot een onomstreden beeld van de betekenis. Met vertrouwen spreken ze dan uit: dit zegt de Schrift! Ieder die het niet met ons eens is, gaat in tegen de Schrift. Die buigt niet onder het gezag van de Schrift.

Het doet me denken aan wat Ab van Langevelde schrijft in zijn dissertatie uit 2015 over prof. C. Veenhof. Ze heeft de veelzeggende hoofdtitel: In het klimaat van het absolute, en beschrijft de geschiedenis van de Vrijmaking en de spanningen binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). De auteur spreekt over de ideologie van het ene goede antwoord binnen de vrijgemaakte kerken in de jaren ’50 van de vorige eeuw. Via grondige Bijbelstudie zou langs rationele weg de absolute betekenis kunnen worden vastgesteld. Dit streven naar heldere, uniforme antwoorden liet nauwelijks ruimte voor meningsverschillen. Van Langevelde spreekt van een typisch moderne veronderstelling (zie p. 389).

Dat is onthullend. Van Langevelde spreekt van een typisch moderne veronderstelling, terwijl traditionele uitleggers hier natuurlijk niets van willen weten. Het zou betekenen dat  ook hun uitleg tijdgebonden is. Toch heeft hij gelijk. Het is typisch modern een gedistantieerde analytische positie in te nemen om van daaruit te registreren hoe de werkelijkheid (en ook een tekst) in elkaar zit. Vóór de moderne tijd (die in de Renaissance begint) was daarvan geen sprake. Uitleg van de Bijbel werd altijd gegeven vanuit betrokkenheid bij de zaak en niet vanuit analytische distantie. Zo gebeurt dat in het Nieuwe Testament ten opzichte van het Oude ook.

De omslag naar de moderne benadering leidt tot een ongehoord optimistische kijk op ons vermogen de teksten tot hun recht te laten komen. Eens voor altijd maakt hun uitleg duidelijk wat de tekst wil zeggen. Ook dit optimisme is typisch modern. In de vorige eeuw hebben we gezien hoeveel schade deze houding kerkelijk heeft aangericht: individuen en groepen botsten frontaal op elkaar. De ravage was groot.

Intussen brengt deze pretentie van de traditionele benadering haar in diskrediet. Zij pretendeert boven de wisseling van de tijden verheven te zijn. Maar zij blijkt zelf een kind van haar eigen tijd te zijn. Zij kan haar pretentie niet waarmaken. Met haar rationele inslag en optimisme is het resultaat van haar Schriftbenadering aantoonbaar tijdgebonden.

Maar hoe moet het dan? Heeft iedere tijd dan haar eigen waarheid? Is de waarheid niet één? Geeft de Bijbel niet langer de doorslag? Onderwerpen we de Schrift aan onze eigen tijdgebonden voorkeuren? Leidt dit niet tot relativisme? Die vragen bewaar ik voor de volgenden keer.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , | Reacties staat uit voor Hermeneutiek, of: hoe lezen we de Bijbel in deze tijd? (1)