Revisieverzoeken afgewezen (6): Leviticus en de wet van Christus

God stelt niet als voorwaarde dat je je aan zijn wet onderwerpt. Hij heeft in Christus immers buiten de wet om gerechtigheid geopenbaard, die wij ontvangen door het geloof, aldus Paulus (Romeinen 3:21-22). Toch speelt ook in het leven van de gelovige de wet nog een rol. Het gaat er immers om dat de eis van de wet vervuld wordt in ons die naar de Geest leven (Romeinen 8:4). Hoe kan die eis van de wet in ons vervuld worden? Als zij uit de eenheid met Christus voortvloeit en zo aan het leven met Hem vorm geeft.

De wet is voor de gelovige geen aparte instantie die de genadige verbondenheid met Christus ter discussie zou kunnen stellen of onder druk zou kunnen zetten. Dan zou de gerechtigheid die wij ontvangen nog mede afhankelijk zijn van de wet. De wet zou tot een nieuw slavenjuk kunnen worden (Galaten 5:1). Het leven uit de liefde van Christus is echter primair, dat komt tot stand uit genade door het geloof. De wet heeft daar geen enkele inbreng in. Die functioneert eerst omdat en voor zover hij dat leven uit de liefde van Christus beschermt.

Daar sluit perfect op aan dat Paulus de liefde de samenvatting en de vervulling van de wet noemt (Romeinen 13:8-10; Galaten 5:14). Dat betekent: de eigenlijke inhoud en de diepste bedoeling van de wet is het betonen van liefde. Die liefde leren we van Christus, door de Geest. In de wet gaat het om de liefde en niet omgekeerd; niet: in de liefde gaat het om de wet. Zo begrenst de liefde de geldigheid van allerlei afzonderlijke bepalingen van de wet, en niet omgekeerd: de bepalingen van de wet begrenzen de liefde (zoals de synode in het revisierapport stelt). De liefde begrenst de geldigheid van de geboden, en daarom zijn bijvoorbeeld de besnijdenis en de reinigingswetten niet meer van kracht voor gelovigen uit de heidenen.

We passen dit toe op de homoteksten uit Leviticus. Als we de lijn van Paulus volgen, die daarin het onderwijs van Jezus vertolkt (Matteüs 22:37-40), moeten we zeggen: ook in deze teksten gaat het ten diepste om het betonen van liefde. Althans, alleen in dat perspectief zijn ze voor ons relevant. Het kan hier alleen om liefdebetoon gaan, als de homoseksuele handelingen die hier veroordeeld worden gedragingen zijn die het leven in de liefde die Christus ons schenkt en leert in de weg staan. Wanneer is dat het geval? Wanneer ze verricht worden met het oog op bevrediging van eigen wellusten en de bevordering van eigen belangen. Beide is in de oudtestamentische situatie goed denkbaar. In de heidense tempels vond homoprostitutie plaats onder het mom van vruchtbaarheidsriten die voorspoed moesten geven. Tegelijk werd op deze manier het uitleven van seksuele driften religieus gelegitimeerd.

Maar als het zo is dat in het verbod van Leviticus op homoseksuele handelingen het betonen van liefde het diepste doel is, en dus allerlei seksuele lusten gericht op eigen genot en belang worden veroordeeld, dan worden homorelaties die in betrouwbare liefde de ander willen dienen niet door die veroordeling getroffen.

Ik erken dat in de evaluatie van de homoteksten onze mensvisie meespeelt. Daarover heb ik het in aflevering 2 gehad. Ik heb daar drie mensbeschouwingen onderscheiden waardoor wij ons kunnen laten leiden als het over homoseksualiteit gaat. Geen van die drie is uit de Bijbel af te leiden, maar de mensvisie die we aanhangen beïnvloedt wel de manier waarop we de Bijbel lezen. Dat is onvermijdelijk. De moderne mensvisie wordt gekenmerkt door de nadruk op individualiteit, authenticiteit en eigen autonomie. Als we van daaruit de homoteksten en hun bredere inbedding in de Bijbel interpreteren, zoals ik hier doe, doen we dan de Bijbel geweld aan? Ik meen met een beroep op de plaats van de wet in de prediking van Paulus te mogen concluderen van niet.

Beleving van individualiteit en authenticiteit als leidende waarden wijst in de richting dat we onze persoonlijkheidsstructuur niet kunnen verloochenen. Zo als we in elkaar zitten, zo gedragen wij ons. Zelfverloochening betreft niet die structuur, maar wel een verkeerde, egocentrische gerichtheid van die structuur. Een christelijke beleving van de eigen autonomie betreft dan de hartelijke aanvaarding van de liefde van Christus. Wie zijn of haar autonomie anders gebruikt, doet dat in de richting van eigenliefde die haaks staat op de dienende liefde die Christus biedt en vraagt. Deze uitleg is in overeenstemming met de diepste inhoud en bedoeling van de wet, zoals Paulus daarover spreekt.

De synode heeft helaas deze interpretatie als niet overtuigend afgewezen. Hoe zwaar weegt die afwijzing? Daarover gaat het de volgende keer.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Revisieverzoeken afgewezen (5): De plaats van de wet

Tot nu toe hebben we gevonden dat je Bijbelteksten niet mag opvatten als illustraties bij algemene waarheden, maar dat je er goed aan doet te zoeken naar wat de auteur in die concrete situatie te zeggen had, om je vervolgens af te vragen wat die boodschap voor toen betekent voor ons nu. Wat heeft Romeinen 1 ons te zeggen in de pastorale praktijk waarin wij te maken krijgen met homo’s die voor een levenslange exclusieve relatie kiezen in toewijding en trouw?

Wordt de gedachte dat dit hoofdstuk homoseksuele handelingen te allen tijde veroordeelt niet gesteund door de homoteksten in Leviticus 18 en 20, die ervan spreken dat het voor God een gruwel is als mannen bij mannen liggen zoals zij dat bij vrouwen plegen te doen? De strekking van deze teksten heeft natuurlijk ook alles te maken met de heidense praktijken die in Kanaän voorkwamen en die Israël daar heeft aangetroffen, maar de formulering is erg algemeen. Als we de reikwijdte op voorhand zouden beperken tot situaties die overeenkomen met wat Israël toen en daar aantrof, doen we dan niet tekort aan de algemeenheid van de formuleringen?

Om over de draagwijdte van deze teksten meer helderheid te verkrijgen, moeten we ons realiseren dat ze deel uitmaken van de oudtestamentische wet, en dat het Nieuwe Testament duidelijke uitspraken doet over de plaats van de wet ten opzichte van het evangelie.

Mijn uitgangspunt neem ik in een tekst doe voor Paulus zeer centraal is voor zijn verstaan van de genadige, bevrijdende kracht van het evangelie van Jezus Christus. Het gaat om Romeinen 3:21-22, waar hij schrijft: ‘Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus’ (Vertaling NBG 1951). Wat betekent hier ‘buiten de wet om’? De SV en de HSV hebben hier: ‘zonder de wet’.

Ik vraag de lezer hier zijn/haar aandacht er even bij te houden, want wat nu volgt is uitermate belangrijk, maar ook wat ingewikkeld. Ik ga namelijk drie opvattingen afwijzen die elk hun eigen voorstellingswereld meebrengen. Ik vraag de lezer dus zich te verdiepen in wat vervolgens onhoudbaar blijkt te zijn. Daar is wat extra motivatie voor nodig. Die motivatie is te ontlenen aan het belang dat die onhoudbaarheid wordt aangetoond. Dat belang ligt in de gevolgen voor de manier waarop de wet voor ons nog geldig is.

De eerste opvatting is: De wet heeft voor ons volledig afgedaan. Een andere tekst die daarvoor wordt aangehaald is: ‘Christus is het einde van de wet’ (Romeinen 10:4), in de NBV weergegeven als: ‘De wet vindt zijn doel in Christus.’ De wet heeft in Christus zijn doel bereikt en wij hebben nu voortaan niet met de wet, maar met Christus te maken. Deze opvatting is in strijd met positieve uitspraken die we elders bij Paulus lezen. In Romeinen 8:4 schrijft hij dat door de Geest in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist. De eis van de wet geldt dus nog steeds. Als deze eerste opvatting juist zou zijn, zouden we Leviticus 18 en 20 zonder discussie terzijde kunnen stellen. Maar zo gemakkelijk kunnen we het ons niet maken.

De tweede opvatting is interessanter. Die zegt: Paulus maakt hier onderscheid tussen de morele en de ceremoniële wet. Van de ceremoniële wet kun je zeggen dat die in Christus zijn doel heeft bereikt en daarmee als voorschrift zijn betekenis verloren heeft. Het gaat dan om de offerrituelen, reinigingswetten en zo meer. Maar de morele wet is nog onverminderd van kracht: bijvoorbeeld niet stelen, niet echtbreken, niet jaloers zijn. Als Paulus dit onderscheid zou maken, heeft dat ook gevolgen voor de geldigheid van Leviticus 18 en 20. Dan zou je moeten zeggen: het verbod op homoseksueel gedrag is een moreel gebod, en daarom is het nog steeds van kracht. Echter, Paulus maakt in zijn brieven nergens een onderscheid tussen morele en ceremoniële geboden. Het gaat hem om de Joodse wet in zijn totaliteit, zoals die het Joodse volk onderscheidde van de rest van de wereld. Als hij zegt dat de wet in Christus zijn doel bereikt heeft, geldt dat zowel van de morele als van de ceremoniële wet. In Christus komt die wet pas tot zijn volle recht. Door Hem wordt de wet volledig vervuld. Deze ‘oplossing’ gaat dus ook niet op.

De derde opvatting luidt: De hele wet heeft slechts in een bepaald opzicht afgedaan, namelijk als middel om het heil te verdienen. Paulus bestrijdt nergens de opvatting dat je door de wet na te komen je redding door God kunt verdienen. De gedachte van ‘verdienste’ (beloning naar verplichting) kom je maar één keer tegen, in Romeinen 4:4. Daar staat: ‘Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting’ (Vertaling NBG 1951; de NBV is hier verwarrend). Bestrijdt hij hier de opvatting dat als wij de wet nakomen, wij loon hebben verdiend? Door geleerden wordt ontkend dat dit de gangbare rabbijnse opvatting was. Het ligt meer voor de hand dit argument van Paulus te beschouwen als een bepaalde redeneerstijl, namelijk die van het trekken van een absurde consequentie uit het standpunt van de tegenstander die de opponent niet voor zijn rekening wil nemen: de nadruk op wetswerken leidt tot de absurde gedachte dat wij bij God in loondienst staan. Ook de rabbijnen zullen voor deze consequentie terugschrikken. Wat leren zij dan wel en wat bestrijdt Paulus dan wel? Niet dat de wet verdienstelijk is, maar wel dat zij voorwaardelijk is.

Het verschil tussen ‘voorwaardelijk’ en ‘verdienstelijk’ is niet moeilijk in te zien. Stel, een jongen van 18 heeft net zijn rijbewijs behaald en mag van zijn vader in diens auto een ritje maken op voorwaarde dat hij zich overal aan de maximum toegestane snelheid houdt. Zoonlief belooft dat en houdt zich keurig aan de regels. Als hij terug is, kan hij dat zonder enige aarzeling verklaren. Maar ook al is het rijden in overeenstemming met de snelheidsregels een voorwaarde, het is geen verdienste. Stel nu eens dat hij zich niet aan die voorwaarde heeft gehouden en het komt uit. Dan kan zijn vader hem dat vergeven. Maar daarmee is de voorwaarde een volgende keer niet van de baan. Voordat vader opnieuw de auto aan zijn zoon meegeeft, zal hij hem de voorwaarde extra op het hart binden. De zoon moet zich er wel aan houden.

Welke betekenis heeft deze uitkomst voor de geldigheid van Leviticus 18 en 20? Als het bij Paulus alleen over de verdienstelijkheid van de wet ging, zou je moeten zeggen: je houden aan de homoteksten in Leviticus is niet verdienstelijk, maar ze gelden wel! Echter, als Paulus bedoelt: het op je nemen van de wet is geen voorwaarde om bij Christus te (blijven) behoren, dan wordt het spannend.

Het gerechtvaardigd worden ‘buiten de wet om’ betekent dus niet: ‘(alleen) buiten de ceremoniële wet om’, of: ‘buiten de verdienstelijkheid van wetswerken om’, maar wel: zonder de wet op je te moeten nemen om bij Christus te mogen horen. Laat dat even tot je doordringen: je hoeft je niet aan regels gebonden te achten puur om het feit dat ze in de wet van God staan. In dat geval wordt de wet namelijk een voorwaarde die je moet accepteren. Evangelie en wet worden dan een soort ‘package deal’ die je alleen in combinatie aanvaardt. In dat geval kan de wet je namelijk in de weg staan om je aan Christus toe te vertrouwen. Nee, zegt Paulus: buiten de wet om word je gerechtvaardigd. De wet speelt geen rol, behalve …

behalve wanneer die wet niet als voorwaarde functioneert die je moet accepteren om aan Christus deel te hebben, maar als uitvloeisel van de relatie met Christus. Dan geeft die wet namelijk vorm aan de relatie met Christus, die genadig en dus zonder wettelijke voorwaarden vooraf tot stand komt. Wat betekent dit voor de rol van Leviticus 18 en 20? Kunnen wij aantonen dat de homoteksten in Leviticus 18 en 20 uitdrukking zijn van de gemeenschap met Christus? Als dat niet lukt, mogen zij niet als voorwaarde functioneren om mensen aan het avondmaal toe te laten. Als ze in dat geval wel als voorwaarde zouden functioneren, zouden we immers mede door de wet gerechtvaardigd worden – dat is: bij Christus horen en aan zijn tafel welkom zijn -, en niet buiten de wet om. En dat is in strijd met wat Paulus in Romeinen 3:21-22 zegt.

Wanneer is een wet geen voorwaarde voor maar uitvloeisel en vormgever van de relatie met Christus? Daarover de volgende keer meer. Ik verklap alvast dat het met liefde te maken heeft.

 

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , | Één reactie

Revisieverzoeken afgewezen (4): Het onderliggende waarheidsbegrip

Wat zit daar nu achter, dat het synoderapport en het revisierapport de benadering van Paulus in Romeinen 1 zo veralgemeniseren en er een dogmatische exegese van geven? Het zou gaan over de hele mensheid, over alle zonden, want die zijn alle ten diepste afgoderij, en over iedere overtreding van de scheppingsorde, want die is in alle omstandigheden opstand tegen God. Maar Paulus spreekt veel specifieker. Hoe kom je nu van het een op het ander?

Het doet me denken aan preken die ik in mijn pre-predikantsbestaan wel eens hoorde. De tekst werd in het schema van ellende – verlossing – dankbaarheid geduwd, en de ellendekennis moest dan wel uiteindelijk zondebesef zijn, ook als de tekst daartoe geen aanleiding gaf. Wat ja, alle ellende gaat per slot van rekening terug op de de zonde. Als dan wel eens in de tekst mensen aan het woord kwamen die slachtoffer waren van de zonde van anderen, dan werd het moeilijk. Want de redding door God had uiteindelijk betrekking op de verlossing van eigen zonden. Dat leverde doorgaans geforceerde preken op. Ook hier werd een algemene waarheid als de eigenlijke waarheid beschouwd, en de tekst werd daarop teruggevoerd.

Het waarheidsbegrip heeft hier statische en schematische kenmerken. Het komt telkens neer op dezelfde basisstructuur, en de afzonderlijke tekst moet daar telkens weer uitkomen. Bijbelteksten zijn dan niet meer dan illustraties bij algemene gelijk blijvende waarheden. Zou het zo zijn dat een dergelijk denken in dogmatische en heilsordelijke abstracties ook de synode parten heeft gespeeld?

Ik zou daar graag een andere waarheidsbenadering tegenover zetten. Waarheid is primair datgene dat in een concrete historische situatie gebeurt. Bij de uitleg van Bijbelteksten zoeken we niet primair naar de verbinding met het algemene schema, maar naar wat de schrijver in die concrete situatie waarin hij schrijft wil overbrengen op zijn beoogde lezers en hoorders. Niet het bovenhistorisch algemene maar het historisch bijzondere is uitgangspunt voor de benadering van de tekst. Vervolgens stel je dan de vraag: hoe is datgene dat hij toen en daar in die situatie wilde overbrengen, door te vertalen naar onze situatie hier en nu?

In Romeinen 1:18-32 zien we dan Paulus op een manier zoals hij door Athene heeft rondgelopen. Hij ziet daar de vele godenbeelden en raakt daardoor hevig verontwaardigd. Het illustreert zijn kijk op het heidendom van zijn dagen. Zijn weerzin wordt versterkt door voorbeelden van seksueel wangedrag, waarvan de homoseksuele wellust wel het absolute dieptepunt is. Zover kan de afval van de ene God en Schepper gaan! Hij brengt het naar voren in zijn brief om over te brengen dat de hele heidenwereld aan de ondergang is prijsgegeven, ware het niet dat Jezus, Gods Zoon, gekomen is als Redder der wereld.

Laten we de Bijbelteksten toch niet reduceren tot algemeenheden, maar oog, oor en hart hebben voor de emotie van het moment en de zeggingskracht in die situatie, die inderdaad getypeerd wordt door een uiterst negatieve taxatie van het heidendom. Hoe belangrijk de situatie is voor de inhoud van de tekst, blijkt in Romeinen 2. Daar is de focus van Paulus anders: hij wil laten zien dat Joden geen redenen hebben zich boven de heidenen te verheffen. Dan kan hij ineens sommige heidenen aan hen ten voorbeeld stellen (vs. 14-15). Is dat niet tegenstrijdig? Wel als je de Bijbelteksten als illustraties van algemene waarheden wilt lezen, maar niet als je bedenkt dat iedere tekst zijn eigen perspectief heeft, die bepaald wordt door wat de auteur in die situatie aan zijn beoogde publiek wil duidelijk maken.

De vraag is dan natuurlijk, hoe de bijzonder boodschap van de tekst in die situatie van toen en daar overgebracht kan worden naar onze situatie. Pas als we die overdracht gehoorzaam nastreven, kunnen we trouw zijn aan Gods Woord. In mijn volgende bijdrage wil ik proberen daarvoor een richting te wijzen.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , | Een reactie plaatsen