Een nieuw boek over vrouw en ambt

Vorige week is bij de uitgever Buijten & Schipperheijn van mij een boek over vrouw en ambt verschenen. Het richt zich op Paulus, omdat de belangrijkste argumenten in het debat aan Paulus zijn ontleend. De titel is: Meedenken met Paulus: Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt. Hieronder geef ik de tekst op de achterflap.

Het gesprek over de vrouw in ambtelijke taken in de gemeente leidt vaak tot heftige discussies en loopt niet zelden vast. Gesprekspartners kunnen elkaar niet overtuigen, ook al baseren zij zich op de Bijbel.

Uitspraken in de brieven van Paulus spelen een belangrijke rol in de argumentatie. Zijn deze uitspraken betrekkelijk, gelden ze alleen voor zover ze dienstbaar zijn aan de voortgang van het evangelie? Leert de Schrift dat de rol van de vrouw door de tijd heen een andere kan worden dan die Paulus in zijn eigen situatie verdedigt?

Bert Loonstra onderzoekt in dit boek Paulus’ gedachtegoed. Wat is de grote lijn in zijn denken? Hoe kijkt hij aan tegen de geschreven wet en hoe komt hij tot zijn uitspraken over de rol van vrouwen in de gemeente?

Deze studie brengt de auteur tot de conclusie dat trouw aan Paulus niet bestaat in het naspreken van diens woorden, maar in een nieuwe toepassing van zijn uitgangspunten.

Dit boek kan het gesprek over de positie van vrouwen helpen uitstijgen boven het dilemma hoe je aan de Bijbel het hoogste gezag kunt toekennen en tegelijk je culturele situatie de ruimte geven.

Aan deze kenschetsing verbind ik een waarschuwing en een belofte. De waarschuwing is, dat het boek theologisch verdiepend is. Het probeert Paulus’ denkstructuur over wet, evangelie en Geest bloot te leggen. Het tot je nemen van deze analyse vereist enige mentale inspanning.

De belofte is dat deze inspanning loont. Verrassend vond ik zelf dat Calvijn net even andere accenten zet dan Paulus in de verhoudingsbepaling van letter en Geest. Ik waag de veronderstelling dat de accenten van Calvijn ongemerkt grote invloed uitoefenen op de perceptie van Paulus’ denken in onze gereformeerde traditie. Als we het onderscheid tussen Calvijn en Paulus helder voor ogen hebben, blijkt Paulus dingen te zeggen die in een gewijzigde culturele situatie juist pleiten voor de openstelling van de ambten voor vrouwen.

Ik denk hiermee een substantiële bijdrage aan de discussie te hebben geleverd, die de gedachtevorming verder brengt.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Komen onze kinderen schuldig ter wereld? (2)

In het ND van zaterdag 14 april reageert Ad de Bruijne op een kort artikel in Onderweg. Daarin wordt moeite met de eerste doopvraag uitgesproken. De traditionele formulering luidt: ‘Erkent u dat wij en onze kinderen in zonde ontvangen en geboren en daarom aan allerlei ellende, ja zelfs aan het eeuwige oordeel onderworpen zijn?’ De GKv-synode van 2017 heeft daarvan gemaakt: ‘Erkent u dat [naam] zondig en schuldig ter wereld is gekomen en uit zichzelf niets goeds kan doen, en dat hij van nature blootstaat aan Gods toorn?’

De moeite die in het artikel in Onderweg vertolkt wordt is vooral, dat die vraag communicatieve kortsluiting teweegbrengt bij gasten die niet vertrouwd zijn met de erfzonde, maar ook bij ouders die er moeite mee hebben hun kind al als zondig te zien. In het artikel in Onderweg wordt verwezen naar mijn vorige blog, waarin dit communicatieprobleem onder ogen wordt gezien, maar waarin vooral kritiek wordt geleverd op de nieuwe formulering die de GKv-synode heeft ingevoerd.

Op één punt heeft De Bruijne volstrekt gelijk. Als een kleine baby niet meer wordt gezien als onderworpen aan de zonde en Gods oordeel, waaruit Christus het verlost, wordt de kinderdoop zinloos en kan ze beter worden afgeschaft. Het beeld van de afwassing laat in de doop juist zien dat wij geestelijk onrein zijn en dat wij gereinigd moeten worden, maar ook kunnen en zullen worden in de verbinding met Vader, Zoon en heilige Geest.

Hij gaat echter voorbij aan de nieuwe formulering door de GKv-synode: ‘erkennen jullie dat jullie kind – de naam wordt erbij genoemd – schuldig ter wereld is gekomen?’ Ik ben geneigd deze formulering als een theologische flater te beschouwen. Want waaraan is de nieuwe boreling schuldig? Kan de overtreding van Adam hem/haar worden toegerekend? Beter is het, dat wij ons beperken tot collectieve schuld: die hele mensheid waarvan Adam de stamvader is, is geen haar beter. In Adam is zijn hele nageslacht in zonde gevallen. Wij zijn solidair met Adam.

Als we zo van collectieve schuld spreken, kunnen we wel zeggen: met elkaar delen wij daarin, maar het wordt toch moeilijk die gemeenschappelijke schuld persoonlijk op naam van een pas geboren dopeling te zetten, alsof die het gedaan heeft. Denk aan de collectieve schuld van het Duitse volk ten tijde van de tweede wereldoorlog voor de Holocaust. Het is niet zo dat de zonde van Adam die alle andere mensen persoonlijk is toe te rekenen, maar dat de macht van de zonde en de neiging tot zonde vanaf het begin ons leven bederven, en dat we daarin vanaf het begin solidair zijn met onze eerste voorvader. Als ik het goed begrijp is dat de manier waarop onze belijdenis over de erfzonde spreekt.

Een theologische flater noemde ik de nieuwe formulering. Misschien ben ik daarin voorbarig. In mijn vorige blog stelde ik de vraag: ‘wat is de reden geweest om de vraag over onze verdorvenheid, die voor veel ouders toch al zo zwaar op de maag ligt, nog verder aan te scherpen?’ Is er een goede reden te bedenken? Misschien de volgende.

In het klassieke formulier staat ‘dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren, en daarom kinderen des toorns zijn’. De redenering zou kunnen zijn: De toorn van God kan je alleen treffen als er zonden zijn waarvoor je persoonlijk verantwoordelijk bent. Maar deze redenering is schatplichtig aan het westerse individualisme: gerechtvaardigde straf gaat terug op persoonlijke verantwoordelijkheid en schuld.

Het wordt nu heel spannend, want het goede recht van de kinderdoop hangt hiermee samen. Mag God zijn toorn laten gelden tegen de grote massa van verdorven mensenkinderen, ook tegen hen die nog te jong zijn om hiervoor persoonlijk verantwoordelijk te worden gesteld? Zo ja, dan moeten ook de kleine kinderen hiervan worden gered en is de doop ook voor hen gepast. Zo nee, dan zijn ze nog te jong om onder het oordeel te vallen en is de doop voor hen nog niet aan de orde.

De Bruijne zinspeelt erop dat we de kinderdoop maar een poosje zouden moeten afschaffen om haar te redden van verburgerlijking: lekker lief kindje dat bij God mag horen, zonder de schrille tonen van zonde en verderf. Ik lees dit als uitdagende formulering om extra prikkelend over te komen. Ik stem met hem in in zijn strijd tegen die verburgerlijking. Maar de problematiek blijkt scherper te zijn dan hij doet voorkomen. De kinderdoop is echt in het geding.

Zelf denk ik dat we het beste de Bijbelse lijn kunnen volgen, waarin collectieve schuld van Godswege wordt beantwoord met collectieve oordelen. Daarvan redt ons de doop.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Komen onze kinderen schuldig ter wereld?

De synode van de GKv heeft in 2017 drie nieuwe versies van het doopformulier aanvaard en beschikbaar gesteld voor gebruik in de kerken. Ik kwam ermee in aanraking doordat ik het voorrecht had mijn kleinzoon te mogen dopen in de gemeente van Woerden. Dat is een zogeheten CGKv, een fusiegemeente van de CGK en de GKv. Alle formulieren die in de CGK en in de GKv zijn aanvaard, mogen daar worden gebruikt. Wat mij opviel is, dat alle GKv-formulieren de eerste vraag aan de doopouders als volgt formuleren: ‘Erkent u dat N.N. zondig en schuldig ter wereld is gekomen …?’

Mijn ervaring is, dat veel doopouders met de aangeboren slechtheid van hun kind moeite hebben. Dat kind heeft toch nog geen goed of kwaad gedaan? Ook de CGK formulering stuit hier op bezwaar. Die luidt: ‘Erkent u dat wij en onze kinderen in zonde ontvangen en geboren en daarom aan allerlei ellende onderworpen zijn …?’ Behalve dat ze er zelf vragen bij hebben, vinden ze het ook tegenover ongelovige vrienden en bekenden die de dienst bijwonen niet uit te leggen.

Ik probeer dan altijd te benadrukken dat je niet kunt zeggen dat dit kind persoonlijk al allerlei zonden op zijn/haar geweten heeft, maar wel dat het deel uitmaakt van een mensheid die in zonde gevallen is en daardoor verdorven is. Bij het opgroeien gaat dat er ook bij dit kind uitkomen. Op een keer kreeg ik van een ouder de opmerking: maar waarom formuleert u de vraag dan zo niet? Dat heb ik in mijn oren geknoopt en ik heb de formulering van de vraag aangepast.

Maar nu lees ik in de GKv-formulieren dat dit individuele kind schuldig ter wereld is gekomen. Die formulering is nog scherper dan de oude. De oude formulering vroeg aandacht voor de verdorven natuur die Gods afkeer oproept, en die zich ook uitstrekt naar dit kind. Vanaf hun vroegste begin zijn ook onze kinderen in de macht van de zonde. Maar nu wordt gesteld dat de kleinste kinderen daarvoor persoonlijk verantwoordelijk zijn. Dat gaat mij te ver.

Ik weet dat er in de dogmatiek ellenlange discussies zijn gevoerd over de erfschuld en de erfsmet. De ongehoorzaamheid van Adam zou voor God gelden als de ongehoorzaamheid van heel de mensheid na hem. Ofwel de mensheid zou die ongehoorzaamheid in Adam hebben bedreven omdat zij in potentie in het zaad van Adam aanwezig was (realisme). ofwel die daad zou de mensheid worden toegerekend door God omdat Adam als verbondshoofd voor heel de mensheid optrad (foederalisme).

Tegelijk weet ik dat de Bijbel en onze belijdenis wel spreekt van erfzonde en algehele verdorvenheid, maar niet van erfschuld. Laten we terughoudend zijn in onze woorden. Het is toch genoeg te zeggen dat God die mensheid als eenheid ziet in haar afval van God (corporalisme; de mensheid als één geheel), en dat wij als gevolg van die afval niet meer op eigen kracht in staat zijn de zonde te vermijden; vervolgens, dat God mensen alleen schuldig verklaart op basis van hun eigen zonden!

Je zou wel kunnen spreken van collectieve schuld in de overtreding van Adam, maar het is een kenmerk van collectieve schuld dat je die niet individueel kunt aanrekenen.

Mijn vraag aan de GKv-afgevaardigden zou zijn: wat is de reden geweest om de vraag over onze verdorvenheid, die voor veel ouders toch al zo zwaar op de maag ligt, nog verder aan te scherpen? Er lijkt me Bijbels onvoldoende reden voor, en praktisch leidt het alleen maar tot verwarring.

Wat de doopdienst betreft, ik heb een van de nieuwe GKv-formulieren gekozen (versie 3), maar de eerste vraag aan de ouders aangepast.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , | Reacties staat uit voor Komen onze kinderen schuldig ter wereld?