M/V in de GKV (2)

In deze bijdrage borduur ik nog even voort op het rapport over de plaats van de vrouw in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. In de vorige bijdrage zagen we dat het rapport het standpunt dat iemand over de positie van de vrouw inneemt, ziet samenhangen met inzichten in twee andere onderwerpen: de inhoud van de scheppingsorde en de geldigheid van de bijbelse aanwijzingen. Ten aanzien van de scheppingsorde heb ik opgemerkt dat de orde van de schepping in het Nieuwe Testament wordt overtroffen door de orde van het koninkrijk en dat het koninkrijk de schepping op sommige punten achter zich laat. De werkelijkheid en het belang van het koninkrijk van God zijn bepalend voor de mate waarin de scheppingsorde van kracht blijft.

Nu wil ik nader ingaan op het tweede onderwerp: de geldigheid van de bijbelse aanwijzingen. De volgende twee posities worden in het rapport onderscheiden (nadat de twee geschetste posities over de scheppingsorde zijn aangeduid met A. en B.): C. de aanwijzingen zijn nog steeds geldig voor nu, ook al dragen ze de kenmerken van de tijd waarin ze geschreven zijn, en D. je moet rekening houden met de verschillen in culturele context toen en nu en je afvragen wat in het gebod tijdbepaald is en wat de blijvende, actuele betekenis is voor nu. Welke van deze twee benaderingen doet het meest recht aan de Schrift zelf?
Om daar uit te komen heb ik de conclusie van de vorige column nodig. De werkelijkheid en het belang van het koninkrijk van God zijn bepalend voor hetgeen uit de scheppingsorde nog steeds van betekenis is. Als deze conclusie juist is, moet de positie van de vrouw primair bepaald worden door het belang van haar positie voor de actuele voortgang van het koninkrijk van God.

Deze zienswijze wordt onderstreept door een verwante waarneming. Ook bij het functioneren van Gods geboden is van doorslaggevend gewicht welke waarde die geboden hebben voor de voortgang van het koninkrijk van God dat in Jezus op aarde gekomen is. Dit is al eenvoudig te illustreren aan de betekenis van de oudtestamentische reinheidsvoorschriften. Die kunnen de doorwerking van het koninkrijk in de weg staan. Daarom is in het koninkrijk de volgende stelregel maatgevend: niets is van zichzelf onrein (Marcus 7: 15; Handelingen 10 en 11; Romeinen 14: 14).
Ook op andere punten blijkt de prioriteit van het koninkrijk boven de geboden. Als iemand die Jezus wil volgen aan Hem vraagt of hij eerst zijn vader mag begraven, is dit een daad die voortvloeit uit het gebod ‘Eer uw vader en uw moeder’. Jezus antwoordt: ‘Volg Mij en laat de doden hun doden begraven’ (MatteĆ¼s 8: 22). Met andere woorden: laten je keuzes niet worden bepaald door het vanouds geldende gebod, dat staat in de context van de dood, maar door de werkelijkheid van het komende rijk dat leven brengt.
Een ander voorbeeld is, dat in Exodus 20 het sabbatsgebod wordt verankerd in de schepping. In het Nieuwe Testament wordt het sabbatsgebod vanuit de werkelijkheid van Christus echter een schaduw genoemd (Kolossenzen 2: 17), en nergens wordt het onderhouden van de sabbat voor gelovigen uit de heidenen tot norm verheven.

Met deze waarnemingen wordt onze eerdere conclusie versterkt: de werkelijkheid en de voortgang van het koninkrijk van God heeft prioriteit in de beantwoording van de vraag hoe wij de bijbelse aanwijzingen moeten wegen.
De geldigheid van bijbelse aanwijzingen wordt dus bepaald door de werkelijkheid en de voortgang van het koninkrijk van God. Voor het belang van de geboden wijst het Nieuwe Testament niet terug naar het begin, maar naar de toekomst. De toepassing van de bijbelse aanwijzingen dient niet statisch te zijn, vanuit hoe het altijd geweest is, maar dynamisch, vanuit de betekenis voor de uitbreiding van het rijk van Christus. Dit houdt in dat de context van de nieuwe situatie waarin de bijbelse aanwijzing moet worden toegepast meetelt.
Deze slotsom wordt ondersteund door de manier waarop de Heilige Geest in het Nieuwe Testament erbij wordt betrokken om de gelovigen te leren onderscheiden waar het op aankomt (bijvoorbeeld Filippenzen 1: 9-11). Voor de toepassing van de bijbelse aanwijzingen is geestelijk onderscheidingsvermogen nodig, om te zien wat de situatie vereist.
Het is belangrijk te onderkennen dat het hier niet gaat om een eigenmachtige voorkeur van progressieve christenen, maar om gehoorzaamheid aan de Schrift. Het Nieuwe Testament gaat ons in deze manier van denken voor.
Het goede antwoord is D.

Dit bericht is geplaatst in Logboek. Bookmark de permalink.