Huijgen: Lezen en laten lezen (3)

De vorige keer hebben we gezien: de hermeneutiek als methode om de Schrift recht te doen is wel degelijk van belang. Zeker, de directe ontmoeting met een ontvankelijk gemoed dat God laat spreken van hart tot hart staat voorop. Maar deze sensitiviteit wordt versterkt door hermeneutische competentie. Dat heb ik laten zien voor de klassieke hermeneutiek die zich bezint op de verhouding van Oud en Nieuw Testament.

Maar er is meer aan de orde in de hermeneutiek. Die gaat steeds meer over de invloeden die een rol spelen bij hoe we teksten opvatten, over de rol die de hoorder zelf speelt in het Schriftverstaan. De interpreet maakt zelf deel uit van het interpretatieproces. Huijgen maakt dit zelf duidelijk bij Calvijn. In de Bijbel staat vaak dat God zich laat raken door hoe mensen op Hem reageren, positief en negatief. Maar Calvijn beschouwt dat consequent als een oneigenlijke manier van spreken. Want God heeft geen passiones. Als Hij die wel zou hebben, zou Hij veranderlijk zijn en zou Hij zich afhankelijk maken van de mensen. Dat zou afbreuk doen aan zijn onveranderlijkheid en zijn almacht. Daardoor zou Hij onvolmaakt zijn. Huijgen verklaart dit uit de metafysische traditie waarin Calvijn nog vast verankerd was. Calvijn kón het in zijn tijd eigenlijk niet anders zien. Zijn denken zat gevangen in de logica van de macht.

Zonder dat verder expliciet te maken laat Huijgen hier zelf zien dat het verstaan van de Bijbel mede bepaald wordt door de cultuurhistorische context van de verstaander. Die context kan beperkend zijn, maar ook helpend. Zou het dan niet goed zijn ons daar voortdurend tijdens het luisterproces rekenschap van te geven? Als die eigen context voor Calvijn al zo invloedrijk is, zou de invloed daarvan voor ons dan minder groot zijn? Het probleem is dat we in de bril die we zelf op hebben geen erg hebben. Dat is altijd zo met de bril die je op hebt. Daar kijk je niet naar, daar kijk je doorheen.

Is het bij Huijgen zelf zoveel anders? Hij legt juist veel nadruk op de bewogenheid van God. Die is bepalend voor de geschiedenis en ook voor hoe we de Bijbel tot ons laten komen als het bewogen appel van God op ons leven. ‘Het is dus mogelijk, de Bijbel veel directer te lezen dan Calvijn doet, door Gods interactie met mensen en Gods bewogenheid het volle pond te geven.’ Dit is een draai van niet minder dan 180 graden. Was eerst de bewogenheid van God oneigenlijk, nu is ze wezenlijk. Ik kan daar ver in meegaan. Deze omslag stuit bij mij niet op kritiek. Ook ik vind dat daardoor de Bijbel beter tot zijn recht komt. Toch vraag ik me af: hoe heeft hij deze ommezwaai kunnen maken? Is hij misschien trouwer aan de Schrift dan Calvijn? Of is hij op zijn beurt ook beïnvloed door de vooronderstellingen van zijn eigen tijd? Ik denk het laatste.

Huijgen grijpt terug op de drie-eenheid van God. De bewogenheid van God verklaart hij in essentie als de bewogenheid van de liefde van de Vader, de Zoon en de Geest voor elkaar. Door de liefde gaat de Zoon uit en wordt de Geest uitgezonden. Had Calvijn dit niet kunnen bedenken? Kennelijk niet. We zien ook dat de triniteitsleer in de 20ste eeuw verregaand is gesubjectiveerd. Voorheen werden de relaties van de Vader, de Zoon en de heilige Geest niet beschreven als persoonlijke relaties, maar als oorsprongsrelaties: de Zoon van eeuwigheid gegenereerd door de Vader, de Geest die van eeuwigheid van de Vader en de Zoon uitgaat. De betekenis van ‘persoon’ ging niet verder dan ‘onderscheiden zelfstandigheid’. In de individualisering van de moderne tijd is ‘persoon’ veel meer tot ‘persoonlijkheid’ geworden, dat wil zeggen tot individu met een eigen zelfbewustzijn. Ziedaar de cultuurhistorische context die mede bepalend is voor het verstaansproces bij Huijgen.

Er zit nog iets aan vast. Als mensen zo in elkaar zitten dat ze alleen iets kunnen verstaan vanuit hun eigen culturele waarden, dan geldt dat ook voor de mensen die als eersten Gods openbaring ontvangen hebben en voor degenen die door de Geest gedreven Gods woorden hebben neergeschreven. Huijgen geeft hier zijdelings rekenschap van, als hij het heeft over toenmalige vertelconventies die afwijken van onze normen voor een accurate weergave van de feiten. Ook de Bijbel getuigt van een cultuurhistorische verstaanshorizon die als zodanig niet normatief is: ze vormt de achtergrond waartegen God contact zoekt met mensen. Dan zullen we bij het luisteren naar de Schrift ons moeten afvragen: wat wil God in de oorspronkelijke context zeggen? En vervolgens: wat betekent die boodschap in onze eigen context? Als het over homoseksualiteit of de plaats van de vrouw gaat, is dat best een dingetje.

Betekent dit dat onze context altijd de betere is? Geenszins. Ik heb al laten doorschemeren dat de vooronderstelde cultuurhistorische waarden zowel belemmerend als helpend kunnen zijn. In het geval van de leer van de drie-eenheid van God en van zijn komen tot mensen is de moderne context vermoed ik helpend, al is het moeilijk daar zelf een oordeel over te vellen, omdat we die waarden zelf huldigen. We zijn als de spreekwoordelijke slager die zijn eigen vlees keurt.

Wel is het bedenkelijk als wij onze eigen culturele vooronderstellingen en die in de Bijbel ons niet bewust zijn. Dan gaan we wat we lezen verabsoluteren (d.w.z. zonder rekening te houden met de oorspronkelijke achtergrond) en klakkeloos onze eigen interpretatie gelijkstellen met de bedoeling van de Schrift. Dan worden we juist belemmerd in het open luisterproces waarin God ons leven leest. Als wij klakkeloos onze interpretatie vereenzelvigen met de betekenis van de Schrift, ontstaat er kortsluiting. Dan gebeurt wat ik in synodale kringen binnen de CGK wel eens opmerk; de redenering wordt dan: dit zegt de Schrift (over homoseksualiteit, over de vrouw), als je het daar niet mee eens bent, ben je ontrouw aan de Schrift.
Hallo!

Je zo goed mogelijk bewust zijn van de cultuurhistorische achtergronden staat juist in dienst van het rechte verstaan. Het hoort bij de ontvankelijke luisterhouding. Ook hier is te spreken van een hermeneutische theorie die methodisch kan en moet worden ingezet. Zij schept ruimte om de tekst tot zijn recht te laten komen. Daarmee staat zij in dienst van de openheid naar God. Verzet tegen deze hermeneutische notie komt neer op kortzichtige zelfoverschatting.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , | Reacties staat uit voor Huijgen: Lezen en laten lezen (3)

Huijgen: Lezen en laten lezen (2)

De vorige keer prees ik het boek van Arnold Huijgen, dat de nadruk legt op het feit dat niet de Bijbel het probleem is, maar dat wij het zijn. In de Schrift spreekt God ons aan, roept Hij onze weerstand op en legt Hij door de Geest de verbinding tussen zijn eigen hart en ons hart. Als wij met onze vragen de Bijbel gaan onderzoeken, verliezen we die dimensie van de ontmoeting gemakkelijk uit het oog en doen we de Bijbel tekort. Met een hermeneutische techniek krijgen we Gods woorden niet in onze greep. Alleen al die intentie verraadt een verkeerde, want hooghartige houding. Als we daarentegen in een open luisterhouding met een open gemoed onszelf door God laten lezen, komen onze vragen in een ander licht te staan. Ik noemde dit boek moedig, geestelijk en uitnodigend.

Toch overtuigt het me niet helemaal. De benadering van de Bijbel vraagt primair een ontvankelijke luisterhouding, maar ze vraagt ook vakmanschap. Een hermeneutische theorie die dan ook weer correctie behoeft is onontbeerlijk. Elders in een blog zet Huijgen tegenover elkaar hermeneutische sensitiviteit en hermeneutische competentie. Hij kiest voor de eerste en wijst de tweede af als een ongeoorloofde pretentie. Ik kies voor beide.

Dat kan ik toelichten met mijn relatie tot muziek. Muzikale sensitiviteit kan mij niet worden ontzegt. Maar muzikale competentie mis ik ten enen male. Ik weet zeer weinig van muziekgeschiedenis, de opbouw van composities en maar heel weinig van toonsoorten. Toch kan muziek  mij ontroeren. Tegelijkertijd denk ik dat muziek nog veel meer tot me zou spreken en dat veel meer details me zouden treffen, als ik competenter was. Zo is het ook met het luisteren naar de Schrift.

Dat die competentie belangrijk is, illustreer ik in deze blog aan de hand van wat de auteur in navolging van Luther zegt over de aanvechting, de tentatio, als wezenlijk aspect van het omgaan met de Schrift, naast en na gebed en meditatie. Wat Huijgen daarover zegt, herken ik onmiddellijk: de ervaring dat het Woord niet spoort met de werkelijkheid om ons heen en in onszelf. Wat ik alleen mis, is een hermeneutische reflectie op de plaats van de aanvechting. Daardoor blijft die notie voor mij wat in de lucht hangen.

Twee Bijbelse verwijzingen moeten de betekenis van de aanvechting ondersteunen: de aanvechting in de Psalmen en de aanvechting van Jezus in de hof van Getsemane en aan het kruis. Nu had de aanvechting van Jezus te maken met zijn unieke taak om de drinkbeker van het lijden voor ons te aanvaarden en voor ons de Godverlatenheid te doorstaan. Het is niet onmiddellijk duidelijk dat hier een lijn kan worden getrokken naar onze aanvechting. Ik zeg niet dat het onmogelijk is, maar het vraagt om, ja ook, rationele verantwoording.

De verwijzing naar de Psalmen brengt ons nog dichter bij de hermeneutische bezinning. Het is waar, op een aangrijpende manier wordt vele malen de aanvechting van de dichter vertolkt. Vele vragen bestormen hem, hij voelt zich van alle kanten bestreden. Alleen, dit is het Oude Testament. Speelt het in het Nieuwe Testament op dezelfde manier? Daar is de heilige Geest uitgestort. Leven we nu niet veel sterker vanuit de zekerheid? Ik zet twee uitspraken naast elkaar, een van Huijgen en een van Paulus (Romeinen 8:24-25).
Huijgen: ‘juist het onontwarbare karakter van de wereld en van de ervaring maakt de scherpte van de aanvechting uit. Uiteindelijk blijft alleen de hoop op de levende God over’ (p. 94-95).
Paulus: ‘in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding.’
Bij Huijgen staat de aanvechting centraal en is de hoop de uitweg, bij Paulus staat de hoop centraal en wordt de aanvechting niet genoemd. Hij begint de perikoop met: ‘Want ik ben er zeker van …’

Ik wil niet suggereren dat met deze korte aanduidingen het geding is beslist. Het gaat mij erom dat we een hermeneutische theorie nodig hebben die de verhouding van het Oude tot het Nieuwe Testament beschrijft. Dat is altijd de traditionele taak van de hermeneutiek geweest, voordat vanaf de 18de eeuw het verstaansproces zelf centraal gesteld werd. Zonder zo’n theorie – noem het maar een methode (weg om te gaan) of techniek (vaardigheid) – kunnen allerlei beweringen en opvattingen ongecontroleerd worden binnengesmokkeld. Overbodig te verklaren dat zo’n theorie niet als een soort computerprogramma kan worden ingezet. Omgang met de Schrift blijft een geestelijke zaak. Ware competentie is in de sensitiviteit geïntegreerd, net als bij het luisteren naar muziek.

De volgende keer sta ik stil bij de betekenis van de moderne hermeneutiek.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , | Reacties staat uit voor Huijgen: Lezen en laten lezen (2)

Huijgen: Lezen en laten lezen (1)

Eerder dit jaar is een opmerkelijk boek verschenen van de hand van prof. dr. Arnold Huijgen over het lezen van de Bijbel, getiteld Lezen en laten lezen: Gelovig omgaan met de Bijbel. Het gaat over hermeneutiek,dat is het onderdeel van de theologie dat zich buigt over de vraag hoe je de Bijbel moet opvatten en doorvertalen naar ons eigen leven. Het is de kunst van het verstaan van oude teksten, in ons geval de tekst van de Bijbel.

Wat Huijgen wil duidelijk maken is, dat we ten onrechte vaak het probleem van de toepassing van de Bijbel leggen bij het feit dat de Bijbel zo’n oud boek is uit zo’n andere tijd met andere culturele waarden. Vervolgens worden dan allerlei regels bedacht als een soort hermeneutische techniek om die oude teksten in het heden tot hun recht te laten komen. Concreet noemt hij de problemen die ons tegenwoordig bezighouden: over homoseksualiteit, de plaats van de vrouw en schepping of evolutie.

Volgens hem moet het anders. Het probleem ligt niet bij de Bijbel, maar bij ons. Naar de Bijbel moet je leren  luisteren. God spreekt daarin tot ons hart. Wij ervaren weerstand om Gods Woord tot zijn recht te laten komen. Niet een probleemgestuurde benadering die focust op hete hangijzers helpt ons verder, maar een open, ontvankelijk, leeg gemoed waarin we God laten zeggen wat Hij ons te zeggen heeft. Het komt erop aan dat wij ons laten lezen door God. Het gaat in de Bijbel over ons. Die directe ervaring van de aanspraak door God is voor ons problematisch geworden. Het is van belang dat we die terugvinden. De auteur werkt dit uit door na te denken over de aard van Gods Woord, Christus als het midden van de Schrift, over waarheid en historiciteit, over gebed, meditatie en aanvechting bij Luther, over de Psalmen, over het tekort van de rede, het belang van de ziel, de richtinggevende betekenis van de drie-eenheid van God, over Bonhoeffer en over de Nederlandse theoloog Noordmans.

Dit boek van Huijgen is in de eerste plaats moedig. Hij wijst de historisch-kritische en hermeneutische methoden om de Schrift te lezen niet volledig af, ze schieten zijns inziens vooral tekort. Hij erkent dat niet bij alle verhalen die zich als historisch aandienen de historiciteit even belangrijk is. Bij de opstanding van Christus is die belangrijker dan bij de val van Jericho. De dominotheorie (‘als op één punt de historiciteit omvalt, vallen alle stenen om’). Hij wil rekening houden met oud-oosterse vertelconventies. Wat in die tijd voor aanvaardbaar werd gehouden is belangrijker dan wat voor onze rationele benadering acceptabel is. Het creationisme acht hij even rationeel als het evolutionisme. Juist dat rationele nekt ons en staat ons in de weg met een receptieve geest naar de Bijbel te luisteren. Het zijn gevoelige thema’s. Huijgen gaat ze niet uit de weg.

Behalve moedig is het boek ook geestelijk. Je wordt erdoor gesticht. De intensiteit die hij weet op te roepen bij het luisteren naar Gods Woord houdt je bij de les. We worden uitgenodigd en gestimuleerd om biddend de woorden van God op ons te laten inwerken en eerlijk de weerstanden die ze oproepen bij onszelf te onderzoeken. Daardoor heeft het boek ook overtuigingskracht. Tot op zekere hoogte, voeg ik eraan toe, maar dat komt later.

Een derde verdienste van het boek is, dat het uitnodigend is. Wanneer de auteur ingaat op de actuele vragen over de plaats van de vrouw, legt hij de nadruk op wat God daarin tot ons zegt over de schepselmatige verschillen tussen man en vrouw, waarbij hij op een frisse manier de teksten in hun zeggingskracht vertolkt. Zijn conclusies neigen in de richting van het conservatieve standpunt. Maar hij zet de hakken niet in het zand. Hij timmert zijn positie niet dicht. Hij erkent ruimhartig dat nog niet alle vragen beantwoord zijn. Daarmee nodigt hij andersdenkenden uit het gesprek voort te zetten zonder zichzelf in een stelling te verschansen.

Zulke bijdragen hebben we broodnodig om de polarisatie te doorbreken. Alleen tot onze schade verwaarlozen we de accenten die hier worden gezet. Toch vraag ik me af of zijn voorstel helemaal kan waarmaken wat het ambieert, anders gezegd: of je kunt volhouden dat we de rationele benadering kunnen vervangen door een meer geestelijke. Ik denk dat je ze moet combineren. Ik zie namelijk dat er allerlei vragen blijven liggen waarvan we mijns inziens toch wel degelijk rekenschap moeten geven. Dat vereist nadere analyse en logische reflectie. In een vervolg verklaar ik nader waar ik op doel.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , | Reacties staat uit voor Huijgen: Lezen en laten lezen (1)