IND laat nog meer steken vallen

De laatste tijd wordt in de media aandacht gevraagd voor de ondeskundige en vooringenomen manier waarop de IND de verhalen van asielzoekers beoordeelt die christen geworden zijn of homoseksueel zijn. Helaas wordt in de meeste gevallen door rechters het advies van de IND gevolgd. Echter, op meer fronten laat de IND steken vallen.

Ik geef hier een voorbeeld waarvan ik kennis kon nemen omdat ik sinds enige tijd deel uitmaak van de commissie geloofsgesprekken, ook wel bekend als de commissie Plaisier, een groep deskundigen op het gebied van pastoraat die op verzoek van asieladvocaten het bekeringsverhaal van asielzoekers op zijn waarde probeert te beoordelen. Ter voorbereiding krijgen de commissieleden inzage in de processtukken.

Een jonge vrouw uit Iran werd gearresteerd omdat zij in de auto geen omslagdoek droeg. Zij heeft vier dagen vastgezeten en in die tijd is zij het slachtoffer geworden van seksueel geweld, haar aangedaan door overheidsfunctionarissen. Deze feiten worden door de IND niet betwist. Vijf dagen nadat zij is vrijgelaten heeft zij naar eigen zeggen een klacht ingediend tegen haar behandeling. Zij zegt daarna meermaals te zijn bedreigd en gevolgd, ontvoerd en misbruikt.

Dit tweede deel van haar verhaal wordt door de IND wel betwist. Een van de argumenten is, dat zij geen documenten kan overleggen die het gebeurde ondersteunen. Dit argument laat ik ter zijde, al wil ik wel opmerken dat haar onvermogen op dit punt niet vreemd is. Op dat moment overwoog zij nog niet om te gaan vluchten. Zij had nog geen motief om een dossier aan te leggen.

Het gaat mij vooral om de volgende redenering. De IND stelt dat het niet logisch is dat betrokkene een klacht heeft ingediend. Zij had namelijk uit openbare informatie kunnen weten dat zulke onmenselijke handelingen door overheidspersonen gepleegd  veelal onbestraft blijven, en dat daarom het indienen van een aanklacht geen zin had. Bovendien wordt de schending van de maagdelijkheid als een schande gezien en die zou zij daarmee aan anderen bekend maken.

Dit is een platte, oppervlakkige benadering. Er wordt alleen op het rationele niveau geoordeeld. Diepere motieven blijven onbelicht. Ik zie een vrouw voor me die zich heeft laten inspireren door de vrouwenprotesten tegen onderdrukking van de vrouw. Iran heeft een sterke vrouwenbeweging. Gisteren stond in de krant dat een van de leidsters van het vrouwenprotest, Shaparak Shajarizadeh, tot twee jaar cel is veroordeeld. Langs een drukke weg in Teheran deed zij demonstratief haar hijab af en zwaaide ermee op een stok. De betrokkene over wie het nu gaat, was vol van hetzelfde vuur. Zij voelde zich sterk, maar heeft haar eigen krachten overschat. Door de brute mishandeling is haar verzet gebroken en toen heeft zij besloten te vluchten uit de ellende waarin zij was terechtgekomen.

Deze dimensie ontbreekt in de overwegingen van de IND volledig. Een mens is niet altijd een koele afweger van voor- en nadelen, voordat hij of zij iets doet. Een mens heeft idealen, gelooft ergens in, vergist zich en loopt trauma’s op. Door die dieptedimensie te veronachtzamen doet de IND mensen geen recht.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , | Reacties staat uit voor IND laat nog meer steken vallen

Vrouw en ambt: reactie (2)

Naar aanleiding van mijn boek Meedenken met Paulus: Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt kreeg ik de volgende reactie:

Geachte Bert, kunt u mij uitleggen naar wie Paulus in 1 Korintiërs 14:36 uitvalt? Zou het ook kunnen zijn dat de ‘ zwijgtekst’ in vers 34 en 35 een van de punten is waar het in hoofdstuk 7:1 over gaat?

Met deze vraag wordt bedoeld: zou Paulus in 1 Korintiërs 14:34-35 misschien een opvatting citeren die in de gemeente van Korinte leeft en die hij vervolgens in vers 36 bestrijdt?
In 7:1 zegt Paulus dat hij op de punten ingaat die hem door de gemeente onder de aandacht worden gebracht: ‘Dan nu de punten waarover u mij geschreven hebt.’ De verzen 34-36 luiden als volgt: ‘Vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt blijven, zoals ook in de wet staat. Als ze iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen, want het is een schande voor een vrouw als ze tijdens een samenkomst spreekt. Heeft het woord ven God zich soms verspreid vanuit uw gemeente? Of heeft het enkel u bereikt?’

Tegen de gesuggereerde interpretatie kijk ik toch wat anders aan. Als de vss. 34 en 35 een aanhaling vormen uit de brief die de Korintiërs aan Paulus hebben gestuurd, dan is het toch wel opmerkelijk dat dit zomaar pardoes zonder enige inleiding gebeurt. Het is waar, Paulus grijpt vaker terug op uitspraken van anderen, zonder dat met zoveel woorden te zeggen. Ik denk aan hoofdstuk 6:12 en 10:23. Daar staat: ‘Alles is mij geoorloofd.’ De NBV vult aan: ‘U zegt: Alles is mij toegestaan.’ Die introductie ‘U zegt’ ontbreekt echter. Toch is de situatie hier anders. De uitspraak ‘Alles is mij toegestaan’ neemt Paulus namelijk ook voor zijn rekening. Alleen nuanceert hij die stelling door eraan toe te voegen: niet alles is nuttig, niet alles bouwt op, ik zal mij door niets laten knechten. In 14:34-35 zou het echter om een citaat gaan dat Paulus niet zelf voor zijn rekening neemt.

Omdat Paulus zelf niet aangeeft in 14:34-35 dat het om een citaat van anderen gaat, ben ik er huiverig voor te veronderstellen dat dit zo is. Ook zijn reactie in vs. 36 is dan heel abrupt, zonder enige overgang. Bovendien is zijn weerwoord dan wel erg summier en weinig inhoudelijk. Deze interpretatie lijkt me meer een verlegenheidsoplossing dan dat ze vanuit de tekst zelf overtuigt.

Tegelijk realiseer ik me dat we voor een onopgeloste puzzel staan als we de woorden van 14:34-35 als de mening van Paulus zelf beschouwen. Immers direct daarvóór heeft hij het over profeteren, en in 11:5 accepteert hij dat vrouwen profeteren. Overigens is deze crux voor het betoog in mijn boek niet storend, omdat ik de nadruk leg op een andere denklijn bij Paulus. Daarom laat ik het in mijn boek in het midden.

Paulus’ uitval in 14:36 kunnen we in verband brengen met andere typeringen die hij van de gemeente geeft. In hoofdstuk 4:6-8 is hij daarin het meest uitgesproken, zelfs nogal cynisch. Daar staat: ‘U mag uzelf niet belangrijk maken door de een te verheerlijken boven de ander. Wie denkt u dat u bent? Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op alsof u het zelf verworven hebt? Maar natuurlijk – u bent al rijk, u bent al koningen geworden zonder ons. Was u maar koningen geworden, dan zouden wij het ook zijn.’

Uit de brief ontstaat het beeld van een gemeente die er prat op gaat dat ze geestelijk is (pneumatikos), en dat ze door de Geest weet heeft van Gods wil. Daarom vertonen ze de neiging de aanwijzingen van Paulus weg te wuiven en het beter te willen weten dan anderen. Het resultaat is partijvorming (hoofdstuk 1). Paulus zet hen in 4:7-8 en 14:36 op hun plaats.

De les voor ons is dan, dat wij niet met een makkelijk beroep op de Geest onze eigen opvattingen botvieren. Laten we eerlijk luisteren naar wat er staat en onderzoeken wat daarvan de intentie is. In die nederigheid kunnen we elkaar vasthouden en de partijvorming voorkomen. Die krijg je als de een het nog beter meende te weten dan de ander.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , | Reacties staat uit voor Vrouw en ambt: reactie (2)

Vrouw en ambt: reactie (1)

Op mijn nieuwe boek Meedenken met Paulus: Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt kreeg ik al een positief kritische reactie, die ik dankbaar in ontvangst nam.
Ter introductie: de hoofdstelling van mijn boek is, dat trouw aan Paulus wel eens niet gelegen zou kunnen zijn in een letterlijk naspreken en navolgen van wat hij zegt, maar in het volgen van de lijn van zijn denken. Die lijn van denken wordt bepaald door de stelling dat we niet geroepen zijn de letter van allerlei bepalingen na te komen, maar dat we geroepen zijn te leven en te handelen door de Geest. Paulus zet die twee tegenover elkaar: de letter doodt, maar de Geest maakt levend (2 Korintiërs 3:6). In een andere cultuur, waarin de ondergeschiktheid van de vrouw tot onbegrepen letter is geworden, moet dat zwaar meewegen in de toepassing.
Nu de reactie, die ik cursief weergeef. Mijn antwoorden geef ik tussen de cursieve teksten in het rechte lettertype.

Uw boekje “Meedenken met Paulus” heb ik met veel belangstelling gelezen.
Dank voor de tijd en energie die u hebt willen steken in het doordenken van de betreffende Bijbelgedeelten.
De wijze waarop de GS van de GKv deze teksten niet (expliciet) behandelde in de besluiten rond man/vrouw en ambt vond ik jammer. Vandaar te meer mijn waardering voor deze studie.
U schrijft dat reacties welkom zijn.
Ik blijf met een aantal vragen zitten:

  1. Een visie op vrouwelijke ambtsdragers berust toch op veel meer Bijbelse gegevens dan alleen op de zgn “zwijgteksten”? Als deze teksten anders dan op de klassieke wijze worden uitgelegd, is daarmee m.i. de discussie over vrouwelijke ambtsdragers nog niet afgerond. En als wel de klassieke uitleg wordt gehanteerd houden we nog steeds de plicht om over dit onderwerp ook andere relevante Bijbelse gegevens en lijnen te bestuderen.

Daar ben ik het mee eens. Echter, voor wie concludeert dat vrouwen van de ambten uitgesloten moeten worden, is het beroep op de zwijgteksten in combinatie met onveranderlijk geldig geachte scheppingsordeningen doorslaggevend. Wie de toelating van vrouwen tot de ambten bepleit, kan een keur van argumenten aan de door mij gegevene toevoegen, zoals ook in de bundels Vrouwen op een zij-spoor en meer recent Zonen & dochters profeteren wordt gedaan. Feit is echter dat die argumenten op zichzelf genomen de tegenstanders niet kunnen overtuigen. Die blijven haken achter de zwijgteksten en de scheppingsordeningen. Vandaar dat ik me juist daarop concentreer.

  1. Begrijp ik u goed als ik samenvat: Als een norm die altijd gegolden heeft als Gods norm, vandaag door ons wordt ervaren als hinderlijk voor de voortgang van het evangelie, moet die norm anders worden geïnterpreteerd, of zelfs ter zijde worden gelegd.

In de situatie van het Nieuwe Testament is dat zeker het geval. Kijk naar Handelingen 15:10 en 19: de lasten kunnen te zwaar zijn. Je kunt ook zeggen: de normen van God zijn niet geldig om reden dat ze in stenen platen zijn gegrift (2 Korintiërs 3:3,7), maar omdat de Geest ze in het hart schrijft. Anders gezegd: Gods normen zijn niet in beton gegoten. Ze zijn geestelijk en kunnen alleen functioneren als ze geestelijk (kunnen) worden beleefd. Anders staan ze de hoogste norm van de evangelische liefde in de weg.

Met deze stelling wordt onze ervaring toch doorslaggevend? Zou God niet beter weten wat uiteindelijk voor de voortgang van Zijn evangelie het beste is? Ook al strijden Zijn woorden/normen nu wellicht met ons moderne levensgevoel.

Als het over leven door de Geest gaat, kunnen we er niet onder uit dat het (ook) over onze ervaring gaat. Toch hoeft dat niet tot ervaringstheologie te leiden, dat is, tot theologie waarin onze ervaring de hoogste norm wordt. De belangrijkste norm is het leven door de Geest, die de wet in ons hart legt door de liefde. Daar verbinden zich duidelijke normen aan die de voortgang van het evangelie dienen. Als sommige geschreven regels zo niet (meer) functioneren, is dat niet een kwestie van mijn individuele ervaring alleen, maar een ervaring die breed leeft, en die inderdaad te maken kan hebben met het moderne levensgevoel. Als het Gods bedoeling is om de letter ter zijde te stellen en gehoorzaamheid door de Geest te bewerken, dan is de vraag ‘Zou God niet beter weten wat uiteindelijk voor de voortgang van Zijn evangelie het beste is?’ niet ter zake. Wat in Gods optiek het beste is, is dat de letter ter zijde wordt gesteld als zij niet door de Geest in het hart wordt gelegd, als de verbinding met het evangelie niet meer duidelijk te maken is.

Wat kan dit meedenken met Paulus verder nog gaan betekenen, bv voor het homo-huwelijk, actieve levensbeëindiging.
Bijbels normen daarover zijn toch ook strijdig met wat de mens in 2018 vindt, en zullen moderne mensen niet tot Christus trekken, en zo -naar ons gevoel- de voortgang van het evangelie belemmeren.

Dat zijn boeiende vragen, die een eerlijke benadering vanuit de tegenstelling tussen letter en Geest verdienen. Ik heb het daarbij nergens over ‘wat de mens in 2018 vindt’, maar over gelovigen in Christus die anno 2018 hun leven door de Geest aan Hem willen wijden.

Wordt zo de Bijbel niet steeds meer een bron (waar wij naar eigen inzicht uit kunnen putten) in plaats van een norm? (Zie hierover oa. een artikel van ds Bart van Egmond  op de site “samengereformeerd.nl”)

De Bijbelse normativiteit wordt niet bepaald door de geschreven regels als zodanig, maar door de geestelijke waarden die ons in het Oude en Nieuwe Testament worden voorgehouden, zoals liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Galaten 5:22) en andere. De normen die deze waarden beschermen zijn flexibel, maar niet willekeurig. Ze zijn te allen tijde gericht op het behoud van die waarden.
Dat ik de Bijbel als hoogste norm aanvaard blijkt daaruit, dat ik het denken van Paulus zorgvuldig onderzoek en dit denken als maatgevend beschouw.

Tot slot: ik moest bij dit alles denken aan een voorbeeld dat ik laatst las. Een vader zegt tegen zijn kind dat het bedtijd is, en dat het naar bed moet. Het kind denkt: vader heeft mijn rust op het oog. Dat is mooi, maar ik wordt veel rustiger als ik nog even blijf spelen. En gaat vervolgens niet naar bed.

Ik pleit niet voor individuele, subjectieve afwegingen over goed en kwaad. Ik erken namelijk dat Paulus allerlei concrete aanwijzingen geeft die in zijn culturele context de voortgang van het evangelie dienen. Beslissend is, dat er een zekere evidentie is, of aangetoond kan worden, dat deze aanwijzingen ten dienste staan van de doorwerking van het evangelie. Bij Paulus is die verbinding aanwijsbaar. In een andere context moet die ook aanwijsbaar zijn.

Ondanks mijn vragen, nogmaals dank voor deze studie.

 

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , | Reacties staat uit voor Vrouw en ambt: reactie (1)