Vraag aan Huijgen: de Bijbel en onze meningsverschillen

Met zijn antwoord op mijn bespreking van zijn boek Lezen en laten lezen heeft prof. Arnold Huijgen een belangrijke kern te pakken waarover het gesprek moet gaan. Zo wil ik de ook reageren, met vragen die weliswaar verholen kritiek bevatten, maar die tegelijk openingen zoeken om elkaar beter te begrijpen en nader tot elkaar te komen. Dit gaat ergens over en vraagt onze serieuze aandacht.

Allereerst vat ik de positie van Huijgen samen, gecondenseerd tot de essentie. Hij erkent met mij dat hij in zijn lezen van en luisteren naar de Schrift beïnvloed wordt door zijn eigen cultuurhistorische bepaaldheid. Hij loopt er niet voor weg dat zijn eigen beschrijving van de triniteit van God kenmerken vertoont van de moderne nadruk op de individuele zelfbeleving van de menselijke persoon. Toch vindt hij niet dat hij dit moet isoleren als hermeneutische kwestie bij het verstaan van de Schrift. Dat zou de directe communicatie van God met de mens in de weg staan. God zelf komt ons in zijn Woord tegemoet en maakt van onze cultuurbepaalde vorming gebruik of breekt daardoorheen. Ik moet mij als ontvanger niet verliezen in verstaansanalyses, maar leeg en ontvankelijk worden om God te laten spreken. In dit spreken word ik aangeklaagd en als ik voor die aanklacht buig ook vrijgesproken. In het gelovig luisteren naar de Bijbel voltrekt zich de rechtvaardiging van de zondaar. Dat het Woord mij tegen de haren in strijkt is daarom niet vreemd.

Deze positie is behartigenswaard. Ze bewaart ons bij de geestelijke omgang met de Schrift, beter gezegd: bij de omgang van God met ons in de Schrift. Toch heb ik er een vraag bij, die weer uiteenvalt in een aantal deelvragen. Die vraag betreft niet zijn principiële uitgangspunt in het richtend spreken van God en het belang van de ontvankelijkheid van de ziel,  maar wel de theologische uitwerking daarvan. Voordat ik die vraag aan de orde stel, vertel ik eerst een verhaaltje dat mijn vraag kan toelichten.

Een aantal personen komt bij elkaar en is het op een belangrijk punt roerend met elkaar eens. Daar is Martin, die zich sterk maakt voor de directe aanspraak van God in zijn Woord en die waarneemt dat de menselijke rede, het rationele verstand, er zo maar tussen zit om dat Woord te ontkrachten. Hij noemt de rede daarom zelfs de hoer van de duivel (Martin Luther). Jan is het volledig eens met zijn inzet en verklaart dat Christus in het gewaad van de Schrift tot ons komt en tot ons spreekt (Jean Calvin). Arnold sluit zich bij hen aan, zowel in de kracht van God die spreekt als in de centrale inhoud: Christus (Arnold Huijgen). Hij beroept zich ook op Diederik, die in navolging van Martin zelf zich door het Woord wil laten richten, in plaats van de veroordelende Bijbelteksten meteen toe te passen op de notoire vijanden van God (Dietrich Bonhoeffer). Ook Oepke wordt erbij gehaald, die een pleidooi voert voor de geestelijke betekenis van de letterlijke Bijbeltekst, niet om zich daarmee van de geschreven woorden los te zingen, maar om die in hun goddelijke gehalte tot hun recht te laten komen (Oepke Noordmans). In dit gezelschap steekt Bert zijn vinger op, maar zijn verwantschap met de anderen wordt niet meteen opgemerkt. Hij is in zijn laatste boek geraakt door de structurele drieslag in Paulus’ spreken: God – Christus – gelovigen, en door de moed waarmee Paulus afstand neemt van vele bepalingen in de Joodse wet. In de geest van Paulus wil Bert die kritische toon toepassen op een actuele kwestie (Bert Loonstra). Tot nu toe is het een mannengezelschap. Daarom introduceer ik Machteld, het fictieve nichtje van Arnold. Zij is gegrepen door de Bijbel en studeert theologie. Eén persoon schittert door afwezigheid, dat is Karel. En dat terwijl Karel als geen ander in een liberale omgeving opkwam voor Christus als het levende Woord van God (Karl Barth).

Hoezeer de genoemde personen ook eensgeestes zijn, zij hebben allemaal wat waar Arnold zich niet in kan vinden. Martin noemt de brief van Jakobus een strooien brief, omdat daarin de rechtvaardiging door het geloof alleen wordt ontkend. Jan kan niet geloven dat God gevoelens heeft en bewogen wordt, want dat zou ten koste gaan van zijn onafhankelijkheid. Diederik wijst de woordelijke inspiratie van de Bijbel af; die ziet hij als een manier om het geheim van Gods openbaring in de vingers te krijgen. Oepke vindt dat ‘scheppen’ de betekenis heeft van kritisch ‘scheiden’. Over de schepping kun je volgens hem alleen spreken als een plek licht rondom het kruis. Vermoedelijk vindt Arnold dat te weinig, want hij legt de nadruk op het huwelijk als scheppingsordening. Volgens hem neemt Bert het zelfbewuste levensgevoel van tegenwoordig te serieus in de vragen over de plaats van de vrouw; daarmee zet die de Schrift op achterstand. Maar Machteld kan zich niet voorstellen dat zij als vrouw van deze tijd gediskwalificeerd zou zijn voor het ambt van predikant, op een gelijksoortige manier als waarop Jan zich niet kan voorstellen dat God bewogen is. En Karel zal wel te veel bedenkelijke opvattingen hebben, dat hij is genegeerd.

Mijn punt is nu even niet wie er gelijk hebben. Laten we eens stellen dat Arnold op alle punten gelijk heeft. Mijn vraag is: hoe kan hij zijn gelijk verantwoorden? Hij wil niet met redelijke argumenten zijn gelijk aantonen, want dan zou hij zich verwijderen van de directe ontmoeting waarin God via de Bijbel tot ons komt. Maar hij kan zich ook niet  beroepen op die directe ontmoeting die God door zijn Woord met hem heeft. Want die hebben de anderen ook ervaren en benadrukt. Toch heeft hij niets anders, zodat hem rest zich te verantwoorden door een beroep op wat God door zijn Woord en Geest aan hem geleerd heeft. Maar dat riekt naar subjectivisme, en die kant wil hij niet op. Vanuit de geloofsverbondenheid met God door het Woord kan men toch rationeel argumenteren? Ook op rationeel niveau moet het nodige verantwoord worden, bijvoorbeeld over onze vooronderstellingen. Hoe kun je fatsoenlijk argumenteren als je niet bereid bent je eigen aannames onder de loep te nemen? Argumenteren hoeft niet iets dominants en annexerends te hebben, we drukken er niet per se mee uit dat we in control zijn. Argumenteren kan ook iets nederigs hebben: je stelt je open voor inzichten van anderen die afwijken van de jouwe. Rationele argumenten van die ander geven jou toegang tot diens denken. Zo toetst je je eigen gedachten.

Dus: welke plaats heeft bij Huijgen het theologische redeneren in situaties waarin geloofsgenoten die zich net als hij aan Gods spreken willen onderwerpen, met hem van mening verschillen? Heb je dan niet een soort metapositie nodig van waaruit je de verschillen analyseert en taxeert?

 

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.