Revisieverzoeken afgewezen (5): De plaats van de wet

Tot nu toe hebben we gevonden dat je Bijbelteksten niet mag opvatten als illustraties bij algemene waarheden, maar dat je er goed aan doet te zoeken naar wat de auteur in die concrete situatie te zeggen had, om je vervolgens af te vragen wat die boodschap voor toen betekent voor ons nu. Wat heeft Romeinen 1 ons te zeggen in de pastorale praktijk waarin wij te maken krijgen met homo’s die voor een levenslange exclusieve relatie kiezen in toewijding en trouw?

Wordt de gedachte dat dit hoofdstuk homoseksuele handelingen te allen tijde veroordeelt niet gesteund door de homoteksten in Leviticus 18 en 20, die ervan spreken dat het voor God een gruwel is als mannen bij mannen liggen zoals zij dat bij vrouwen plegen te doen? De strekking van deze teksten heeft natuurlijk ook alles te maken met de heidense praktijken die in Kanaän voorkwamen en die Israël daar heeft aangetroffen, maar de formulering is erg algemeen. Als we de reikwijdte op voorhand zouden beperken tot situaties die overeenkomen met wat Israël toen en daar aantrof, doen we dan niet tekort aan de algemeenheid van de formuleringen?

Om over de draagwijdte van deze teksten meer helderheid te verkrijgen, moeten we ons realiseren dat ze deel uitmaken van de oudtestamentische wet, en dat het Nieuwe Testament duidelijke uitspraken doet over de plaats van de wet ten opzichte van het evangelie.

Mijn uitgangspunt neem ik in een tekst doe voor Paulus zeer centraal is voor zijn verstaan van de genadige, bevrijdende kracht van het evangelie van Jezus Christus. Het gaat om Romeinen 3:21-22, waar hij schrijft: ‘Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus’ (Vertaling NBG 1951). Wat betekent hier ‘buiten de wet om’? De SV en de HSV hebben hier: ‘zonder de wet’.

Ik vraag de lezer hier zijn/haar aandacht er even bij te houden, want wat nu volgt is uitermate belangrijk, maar ook wat ingewikkeld. Ik ga namelijk drie opvattingen afwijzen die elk hun eigen voorstellingswereld meebrengen. Ik vraag de lezer dus zich te verdiepen in wat vervolgens onhoudbaar blijkt te zijn. Daar is extra motivatie voor nodig. Die motivatie is te ontlenen aan het belang dat die onhoudbaarheid wordt aangetoond. Dat belang ligt in de gevolgen voor de manier waarop de wet voor ons nog geldig is.

De eerste opvatting is: De wet heeft voor ons volledig afgedaan. Een andere tekst die daarvoor wordt aangehaald is: ‘Christus is het einde van de wet’ (Romeinen 10:4), in de NBV weergegeven als: ‘De wet vindt zijn doel in Christus.’ De wet heeft in Christus zijn doel bereikt en wij hebben nu voortaan niet met de wet, maar met Christus te maken. Deze opvatting is in strijd met positieve uitspraken die we elders bij Paulus lezen. In Romeinen 8:4 schrijft hij dat door de Geest in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist. De eis van de wet geldt dus nog steeds. Als deze eerste opvatting juist zou zijn, zouden we Leviticus 18 en 20 zonder discussie terzijde kunnen stellen. Maar zo gemakkelijk kunnen we het ons niet maken.

De tweede opvatting is interessanter. Die zegt: Paulus maakt hier onderscheid tussen de morele en de ceremoniële wet. Van de ceremoniële wet kun je zeggen dat die in Christus zijn doel heeft bereikt en daarmee als voorschrift zijn betekenis verloren heeft. Het gaat dan om de offerrituelen, reinigingswetten en zo meer. Maar de morele wet is nog onverminderd van kracht: bijvoorbeeld niet stelen, niet echtbreken, niet jaloers zijn. Als Paulus dit onderscheid zou maken, heeft dat ook gevolgen voor de geldigheid van Leviticus 18 en 20. Dan zou je moeten zeggen: het verbod op homoseksueel gedrag is een moreel gebod, en daarom is het nog steeds van kracht. Echter, Paulus maakt in zijn brieven nergens een onderscheid tussen morele en ceremoniële geboden. Het gaat hem om de Joodse wet in zijn totaliteit, zoals die het Joodse volk onderscheidde van de rest van de wereld. Als hij zegt dat de wet in Christus zijn doel bereikt heeft, geldt dat zowel van de morele als van de ceremoniële wet. In Christus komt die wet pas tot zijn volle recht. Door Hem wordt de wet volledig vervuld. Deze ‘oplossing’ gaat dus ook niet op.

De derde opvatting luidt: De hele wet heeft slechts in een bepaald opzicht afgedaan, namelijk als middel om het heil te verdienen. Echter, Paulus bestrijdt nergens de opvatting dat je door de wet na te komen je redding door God kunt verdienen. De gedachte van ‘verdienste’ (beloning naar verplichting) kom je maar één keer tegen, in Romeinen 4:4. Daar staat: ‘Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting’ (Vertaling NBG 1951; de NBV is hier verwarrend). Bestrijdt hij hier de opvatting dat als wij de wet nakomen, wij loon hebben verdiend? Door geleerden wordt ontkend dat dit de gangbare rabbijnse opvatting was. Het ligt meer voor de hand dit argument van Paulus te beschouwen als een bepaalde redeneerstijl, namelijk die van het trekken van een absurde consequentie uit het standpunt van de tegenstander die de opponent niet voor zijn rekening wil nemen: de nadruk op wetswerken leidt tot de absurde gedachte dat wij bij God in loondienst staan. Ook de rabbijnen zullen voor deze consequentie terugschrikken. Wat leren zij dan wel en wat bestrijdt Paulus dan wel? Niet dat de wet verdienstelijk is, maar wel dat zij voorwaardelijk is.

Het verschil tussen ‘voorwaardelijk’ en ‘verdienstelijk’ is niet moeilijk in te zien. Stel, een jongen van 18 heeft net zijn rijbewijs behaald en mag van zijn vader in diens auto een ritje maken op voorwaarde dat hij zich overal aan de maximum toegestane snelheid houdt. Zoonlief belooft dat en houdt zich keurig aan de regels. Als hij terug is, kan hij dat zonder enige aarzeling verklaren. Maar ook al is het rijden in overeenstemming met de snelheidsregels een voorwaarde, het is geen verdienste. Stel nu eens dat hij zich niet aan die voorwaarde heeft gehouden en het komt uit. Dan kan zijn vader hem dat vergeven. Maar daarmee is de voorwaarde een volgende keer niet van de baan. Voordat vader opnieuw de auto aan zijn zoon meegeeft, zal hij hem de voorwaarde extra op het hart binden. De zoon moet zich er wel aan houden.

Welke betekenis heeft deze uitkomst voor de geldigheid van Leviticus 18 en 20? Als het bij Paulus alleen over de verdienstelijkheid van de wet ging, zou je moeten zeggen: je houden aan de homoteksten in Leviticus is niet verdienstelijk, maar ze gelden wel! Echter, als Paulus bedoelt: het op je nemen van de wet is geen voorwaarde om bij Christus te (blijven) behoren, dan wordt het spannend.

Het gerechtvaardigd worden ‘buiten de wet om’ betekent dus niet: ‘(alleen) buiten de ceremoniële wet om’, of: ‘buiten de verdienstelijkheid van wetswerken om’, maar wel: zonder de wet op je te moeten nemen om bij Christus te mogen horen. Laat dat even tot je doordringen: je hoeft je niet aan regels gebonden te achten puur om het feit dat ze in de wet van God staan. In dat geval wordt de wet namelijk een voorwaarde die je moet accepteren. Evangelie en wet worden dan een soort ‘package deal’ die je alleen in combinatie aanvaardt. In dat geval kan de wet je namelijk in de weg staan om je aan Christus toe te vertrouwen. Nee, zegt Paulus: buiten de wet om word je gerechtvaardigd. De wet speelt geen rol, behalve …

behalve wanneer die wet als uitvloeisel functioneert van de relatie met Christus. Dan geeft die wet namelijk vorm aan de relatie met Christus, die genadig en dus zonder wettelijke voorwaarden vooraf tot stand komt. Wat betekent dit voor de rol van Leviticus 18 en 20? Kunnen wij aantonen dat de homoteksten in Leviticus 18 en 20 uitdrukking zijn van de gemeenschap met Christus? Als dat niet lukt, mogen zij niet als voorwaarde functioneren om mensen aan het avondmaal toe te laten. Als ze in dat geval wel als voorwaarde zouden functioneren, zouden we immers mede door de wet gerechtvaardigd worden – dat is: bij Christus horen en aan zijn tafel welkom zijn -, en niet buiten de wet om. En dat is in strijd met wat Paulus in Romeinen 3:21-22 zegt.

Wanneer is een wet geen voorwaarde voor maar uitvloeisel en vormgever van de relatie met Christus? Daarover de volgende keer meer. Ik verklap alvast dat het met liefde te maken heeft.

 

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Revisieverzoeken afgewezen (5): De plaats van de wet

  1. Peter schreef:

    Met zoveel woorden schrijf je in mijn optiek: de wet is geen middel om bij Christus te mogen horen. Dat klopt volgens mij als een bus. Het is juist andersom: OMDAT je bij Christus hoort houdt je je aan zijn geboden. Uit liefde. Jezus leert ons dat zelf. Wie mijn Vader liefheeft houdt zich aan Zijn geboden.
    Op zn zachtst gezegd spreekt de bijbel uiterst negatief over homosexualiteit. Het wordt tegennatuurlijk genoemd. Anders dus dan God het bedoeld heeft. Het mist kennelijk zijn doel: zonde. Uit liefde voor God wil ik geen zonde doen. Is dat makkelijk? Nee maar God beloofd ons toch dat wij nooit een kruis zullen krijgen dat te zwaar is om te dragen…? Of bepalen wij dat zelf?

Reacties zijn gesloten.