De EU en de angstvalligheid

In korte tijd hebben we in de westerse wereld diverse rampenscenario’s meegemaakt: de brexit en de verkiezing van Donald Trump als president van de USA, beide zaken die vooraf als uiterst onwaarschijnlijk werden beschouwd. Daarom verbaast het mij dat er in de politiek zo weinig hardop wordt nagedacht over de mogelijkheid dat de EU binnen nu en twee jaar op omvallen staat. Zo onrealistisch is dit scenario niet. De voortekenen liegen er niet om.

Met de beschuldigingen tegen de rechtse presidentskandidaat Francois Fillon zijn in Frankrijk de kansen voor de populistische Marine le Pen van het Front National met sprongen toegenomen. Zij wil op korte termijn de euro inwisselen voor de Franse franc en een referendum uitschrijven over het lidmaatschap van de EU, waar zij zelf tegen is. Zij zal daarbij proberen te profiteren van de populariteitsgolf die haar aan de macht heeft gebracht en dus op korte termijn daadkrachtig optreden. Mijn inschatting is, dat zij minder beschaafd te werk zal gaan dan haar Britse collega Theresa May. Eenzijdig zal zij bij een voor haar positieve uitslag van het referendum de verplichtingen van Frankrijk nietig verklaren, zo veel dat binnen haar vermogen ligt. Door deze ontwikkeling zal de EU in haar voegen kraken en niet ver van ineenstorting zijn.

Hoe gaat Nederland hierop reageren? Welke keuze maken onze politieke partijen. Uit de verkiezingscampagne bereiken mij nog geen geluiden die hierover gaan. Toch is het urgent genoeg. Regeren is vooruitzien. Voor deze radiostilte kan ik maar één verklaring bedenken. Dat is de angst. Het is net als bij een dreigend faillissement. De directie houdt dit zo lang mogelijk buiten de publiciteit. Want zodra de geruchten gaan dat een bedrijf op instorten staat, zál het instorten. Vanaf dat moment is het vertrouwen weg en trekt iedereen zijn handen en geld ervan af. Op dezelfde manier zijn pro-Europese politici bang dat zodra zij de instorting van de EU als serieuze optie op de agenda zetten, zij die instorting daarmee zelf over zich afroepen. Het laatste restje vertrouwen gaat ermee verloren.

Stel nu eens dat deze analyse niet uit de lucht gegrepen is. Wat betekent dat dan? Het geeft aan dat het Europese project niet gebouwd is op vertrouwen, maar op angst. Men is bang de houdbaarheid van de EU aan de orde te stellen uit angst dat daarmee de onhoudbaarheid aan het licht komt. Bij de euro is dat eigenlijk al een tijd aan de gang. Als de euro gebouwd was op vertrouwen, zou de problematiek in één deelnemend land zijn opgevat als een gemeenschappelijke problematiek die samen moest worden opgelost. Nu kijkt ieder eerst naar zijn eigen nationale belangen. Het land in de problemen wordt financieel geholpen uit angst dat anders dit land de monetaire unie zal verlaten en daarmee een domino-effect zal veroorzaken.

Maar angst is een slechte raadgever. De EU heeft alleen toekomst wanneer ze wordt gebouwd op vertrouwen en niet op angst. Dat betekent: of een hechtere EU waarin de nationale belangen ondergeschikt worden gemaakt aan het algemeen belang, of geen EU. Aangezien er veel Euroscepsis binnen de EU-landen bestaat, lijkt een hechtere EU een utopie. Blijft over: stoppen met dit project en wat mij betreft in plaats daarvan een kleinere unie van landen die elkaar vertrouwen met duidelijke maar beperkte doelstellingen.

Nog even een laatste opmerking over onze politieke partijen. Het grote voordeel van de Eurosceptische partijen boven de pro-Europese partijen is, dat zij de angstvalligheid van zich hebben afgeworpen. Daardoor kunnen zij overtuigingskracht ontwikkelen. Hun tegenspelers zijn bang en daarom zijn zij in het nadeel. Dat is een extra argument in mijn pleidooi voor expliciete duidelijkheid over dit onderwerp in de verkiezingstijd.

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie met de tags , , , . Bookmark de permalink.